Boekrecensie Voor Het Tijdschrift Systeemtherapie 2026

Ruimte in therapie – Systemische inspiratie voor hulpverleners en organisaties

JASMIEN PEETERS

8 september 2026

Maurizio Frisina (2026). Vertaald en bewerkt door Thomas Fondelli en Cinthe Lemmens. Pelckmans. 175 pp., € 27,00
ISBN 9789465301211

De postbode brengt een dikke bruine envelop.

Nog voor ik een bladzijde heb gelezen, verrast dit boek mij al. Op de omslag staan ginkgobladeren afgebeeld. Dezelfde Japanse bomen staan precies voor onze praktijk. Een moment van verwondering: nog voor ik het geopend heb, verbindt Ruimte in therapie zich met mijn eigen therapeutische ruimte. Het boek illustreert zo op slag de centrale gedachte: plekken zijn actieve partners in helingsprocessen. Ze geven vorm aan onze relaties. Hoe we ruimtes bewonen en ons toe-eigenen, weerspiegelt onze identiteit.

Mijn huis is al oud. Later, na mijn komst, werden de twee bomen geplant, alsof het therapeutische veld zélf deze bomen heeft aangetrokken. Biofiele architectuur heet dat, leert auteur Maurizio Frisina ons: ‘Hedendaagse architectuur die de verbinding wil verdiepen tussen mensen die een gebouw bevolken en de omliggende natuur’ (p. 98).

Ook cliënten die onze praktijk bezoeken, delen die verwondering:

Omdat ze een ginkgoblad als tattoo willen.

Omdat ze hoop putten uit de onsterfelijkheid van de boom. In Hiroshima overleefden enkele ginkgo’s de atoombom.

Omdat de intens goudgele bladeren in de herfst in één beweging samen loslaten. Een cliënt bedenkt dat, als een boom dat kan, het voor haar ook mogelijk moet zijn. De bomen voor onze praktijk worden zo deel van de therapeutische ruimte.

Een tweede toevalligheid: aanvankelijk ging ik ervan uit dat psycholoog en systeemtherapeut Maurizio Frisina in Italië werkt. Door de naam uiteraard, misschien ook door de sfeer van het boek. Pas later ontdekte ik dat hij in Brussel werkzaam is, binnen de verslavingszorg, in Clinique La Ramée, een naam die verwijst naar gebladerte en vertakkingen. Brussel is de stad waarnaar ik droom te verhuizen. De Belgische, Franstalige systemische school en de levendige gemeenschap van onze collega’s, waaien via dit boek alvast mijn kant op.

Frisina’s boek doet iets krachtigs. Tijdens het lezen begin ik als vanzelf de wereld anders te bekijken: met een extra bril voor de dimensie van de ruimte, boven op de meer vanzelfsprekende systemische brillen van relaties, circulariteit en context. Ik neem de ruimte waarin ik schrijf in me op: een toevluchtsoord en een plek waar leven zich in al zijn kwetsbaarheid afspeelt. De ruimte speelt altijd een fundamentele rol; we gaan er alleen gemakkelijk aan voorbij. Ontmoeten, verbinden, aankomen, blijven, nestelen, vertrekken, loslaten, afbakenen, verlaten, dwalen, schuilen. Al deze werkwoorden spelen zich af in ruimtes en worden er mede door bepaald. Ruimte is meer dan een decor.

Het boek is mooi vormgegeven, gekleurd in goud en petroleumblauw. Op de warmgrijze bladen tussen de vijf hoofdstukken dwarrelen fijne ginkgobladeren naast elkaar. Twee lobben (bi-loba) onderscheiden zich, en vormen toch één blad. Ze zijn een bekend symbool voor differentiatie: verbonden blijven en jezelf blijven. Frisina introduceert de sfeercyclusvan de Belgische systeemtherapeut Etienne Dessoy (p. 126), om onze eeuwige zoektocht naar een balans tussen toenadering en verwijdering te verbeelden. Deze lemniscaat vormt een prachtige aanvulling op de EFT-interactiecirkel van de Amerikaanse hoogleraar Scott Woolley (z.d.), die de emotionele interactie tussen mensen beschrijft.

Zoals de twee Japanse notenbomen mijn huis flankeren, flankeren Jan Olthof en Ellen Reijmers het boek, op de binnenflappen, met lovende woorden. Ik kan hier alleen maar bij aansluiten. Het boek is radicaal, fris en intellectueel prikkelend. Mijn aandacht verschuift naar de ruimte als een sleutel tot verandering en transformatie.

Er waait iets openends door het boek. Frisina verweeft op meesterlijke wijze architectuur, Japan en evolutiebiologie met het systemisch kader. De mens is slechts een fragiele, maar destructieve schakel. Niet het middelpunt, maar een onderdeel van een groter geheel. Woorden die ik nog niet ken blijven kleine intellectuele zijpaden openen: stigmergie (p. 51), pytheostatisch evenwicht (p. 91), fermiparadox (p. 154), dividuen (p. 156).

Ik begrijp waarom de twee Belgische systeemtherapeuten, Cinthe Lemmens en Thomas Fondelli, verknocht raakten aan dit boek. Ze gingen er allebei een relatie mee aan en hebben het vervolgens samen bewerkt en vertaald.

De vijf hoofdstukken worden bewoond door mensen uit de therapeutische praktijk van de verslavingszorg. Deze praktijkvoorbeelden, met telkens een concreet therapeutisch instrument, geven de filosofische concepten en de werkvormen vlees en bloed: ‘Marc en de lijn der plaatsen’,

‘Jean en Louise en het verhaal van de duizend verhalen’, ‘Edin en zijn brief aan de alcohol’, ‘Jeanne en de kaart der plaatsen’, ‘Laure en Thomas en de brief vanuit de tussenruimte’.

De conclusie in het boek is ook een manifest voor een ecosystemische visie: hoe alles verbonden is met alles. Ik ben benieuwd of de wortels van de twee bomen elkaar al raken.

Tot slot krijgt het woord ‘catastrofe’ een nieuwe betekenis in zijn conclusie: het komt van het Griekse kata en strophè, en betekent zo letterlijk: op weg naar een wending, een plotse verandering, een ontknoping, een omkering. Ik staar uit het raam naar het groene lover. In dat opzicht ís dit boekje catastrofaal. Dankbaar leg ik het weg. Fondelli en Lemmens verdienen erkenning voor het opsporen, vertalen en ontsluiten van dit Franstalige boek. Ik ben zelfs jaloers op het duo. Heerlijk moet dat geweest zijn, zoveel ruimte te mogen maken voor dit boek.

Referentie

Boekrecensie Voor Het Tijdschrift Systeemtherapie

Boekrecensie. Verdragen – Over de hulp helpt-mythe

JASMIEN PEETERS

11 juni 2026


Flip Jan van Oenen (2025). Boom. 292 pp., € 29,25
ISBN 9789024468430

Op de cover van Verdragen, het tweede boek van Flip Jan van Oenen, torst een goudkleurige Atlas dapper de wereld op zijn schouders, tegen een muntblauwe achtergrond. Atlas draagt alles, tot het einde der tijden, want oppergod Zeus is hem ongenadig. Van Oenen vraagt iets anders: wat is van mij om te dragen, wat kan ik veranderen en waar blijf ik klagen? Bij Van Oenen is dat dragen geen straf, maar een wezenlijk onderdeel van onze menselijke conditie. Atlas is tragisch: hij kan niet anders. Van Oenen, negenenzestig jaar, gepensioneerd arts en systeemtherapeut, benadrukt keuze en verantwoordelijkheid en legt die ook bij de ggz, die kreunt onder diagnoses en wachtlijsten en volledig vastloopt.

Verdragen – door Van Oenen zelf geïllustreerd – borduurt verder op het boek Het misverstand psychotherapie dat hij eerder schreef (Van Oenen, 2019). Daarin deelde hij al een boodschap die van de lezer wel wat vergt: lijden is eigen aan ons mens-zijn. Psychotherapie helpt, soms, maar vooral door het verdraagvermogen te vergroten. En misschien dat vanuit dat verdragen ook verandering voortvloeit. Dat is dan mooi meegenomen. Maar verdragen is een enorm groot goed op zich. Vanuit een doorleefd en doorvoeld verdragen kan een therapeut vertrouwen geven.

De proloog verrast. Argeloos laat ik me meevoeren in een wending en voor ik het weet, sta ik zes pagina’s later opeens op een ander been. Een therapeut probeert in een dialoog zijn nieuwe cliënt bescheiden verwachtingen te geven van de therapie die hij te bieden heeft. ‘Geen Valse Hoop maar Realistische Hoop: bij zes van de zeven cliënten heeft therapie geen meerwaarde’ (p. 12). Voor hij het weet, heeft hij zijn cliënt tóch geholpen (zijn menselijkheid geeft vertrouwen), en knapt hij er zelf ook van op. Psychotherapie werkt wél, maar om een andere reden dan we willen geloven. Meer als een kunst, een hoge vorm van beschaving en als een unieke verrijking van ons denken.

Deze recensie lag al een tijd te wachten om geschreven te worden. Een dakrenovatie en een Erasmusreis vroegen voorrang. Niet zo slecht, dat uitstel, zo blijkt. Want net als ik eindelijk aan de slag ga (huis af, zoon terug), belandt Van Oenen in een kleine mediastorm. De Nederlandse krant NRC van 22 januari 2026 publiceerde een interview over dit boek (NRC, 2026a). Met de oorspronkelijke titel ‘Psychotherapie werkt niet’ was Van Oenen minder blij. Ze veroorzaakte veel commotie. Als klik-lokaas ‘werkte’ het des te beter. Ondertussen werd de titel aangepast (NRC, 2026b): ‘Mensen die psychotherapie krijgen knappen er meestal niet van op.’ Wat Van Oenen wilde zeggen: we zijn aangewezen op het verdragen van psychische pijn. En we zijn daartoe in staat.

In het boek zelf is het betoog genuanceerder. Het gaat Van Oenen niet om een afrekening met therapie, maar meer om een vraag: Wat versterken wij wanneer wij helpen? Vergroten wij draagkracht, of ondermijnen we die soms onbedoeld? Zijn pleidooi is dat hulpverlening zich primair moet richten op het versterken van het vermogen om te dragen wat niet veranderbaar is.

De animositeit van de reacties op het interview laat zien hoe precair het evenwicht is tussen het erkennen van de werkzaamheid van therapie en het begrenzen van de verwachtingen die we ervan koesteren.

Deze publieke discussie bracht me opnieuw bij de vraag waar heling werkelijk vandaan komt. Dankzij de dakrenovatie mogen ook dozen met strips naar de ruilbibliotheek. Met Van Oenen in mijn hoofd, blader ik door De Olympische Smurfen (Peyo, 1986), op zoek naar een kinderherinnering: Potige Smurf wil de andere Smurfen aanzetten om te sporten en organiseert Olympische Spelen. Schrielsmurf is bij geen enkele ploeg gewenst. Hij doet onafhankelijk van de rest toch mee, als enige in ‘team groen’. Hij oefent het meest van allemaal, al vreest hij dat hij weinig kans maakt. Hij vraagt Grote Smurf om hulp. Die geeft hem een middeltje om op de neus te smeren. Hij wint alle wedstrijden! Dan komt de ontknoping: Grote Smurf maakt hem duidelijk dat het middeltje slechts aalbessenjam was. Aalbessenjam?! Als kind was ik diep onder de indruk.

Cliënten worden beter door hun zelfhelend vermogen. Als ze geen hulp zoeken, knappen ze ook op. Het belichaamde vertrouwen van een therapeut helpt, als deze het vermogen tot verdragen niet laat verschralen, en niet voor afhankelijkheid zorgt. Vanuit een systemisch perspectief ontstaat dat verdraagvermogen niet in isolatie, maar in relatie, in het ervaren dat iemand het lijden met ons mee kan dragen zonder het over te nemen. De heelmeester ‘tijd’ en ons natuurlijk verdraagvermogen doen de rest.

Wat een therapeut vooral doet, volgens Van Oenen, is ons terzijde staan tot ons eigen vermogen weer zegeviert.

Klagen heeft slechts een kleine plaats, veranderen kan niet altijd. Een grote rol is weggelegd voor verdragen. Van Oenen laat ons niet alleen, en reikt drie strategieën aan voor dat verdragen: hoop houden door vertrouwen te geven, door de moed erin te houden; smart delen met familie, vrienden en de sociale context; en fysiek en mentaal in beweging blijven. Ook omdat de huidige ggz vastloopt en kreunt onder de verwachtingen, wil hij zo naar een realistischere organisatie met minder valse hoop.

Als antwoord op de NRC-polemiek publiceerde Van Oenen een artikel op LinkedIn waarin hij zichzelf interviewt (Van Oenen, 2026). De slotwending is opnieuw ontwapenend: ‘U doet nou wel of het u allemaal erg aan uw hart gaat, maar bent u uiteindelijk niet gewoon een zielige aandachttrekker die alleen maar het vak onderuithaalt om weer eens met zijn foto in de krant te kunnen komen?’ ‘Dat zou kunnen. Ik ga binnenkort in therapie om dat uit te zoeken.’

Deze zelfrelativerende toon typeert het boek, speels maar niet zonder ernst. Een waardevolle bijdrage aan het actuele gesprek over hulp en hoop. De troost ligt niet in het afnemen van de last, maar in het besef dat we, anders dan Atlas, niet alleen hoeven te dragen.

Referenties

Jim van Os - Relatie is Alles

Voor het tijdschrift Systeemtherapie interviewde ik samen met collega Cinthe Lemmens Jim van Os. (nummer 38.1). Het was fantastisch…Professie & Persoon is onze vaste rubriek. In deze rubriek gaat het om het delen van kennis en ervaring via het persoonlijke en unieke verhaal van een bekende systeemdenker. http://www.tijdschriftysteemtherapie.nl

Relatie is alles

Interview met Jim van Os

JASMIEN PEETERS, CINTHE LEMMENS

10 maart 2026

We nemen de trein van België naar Utrecht om de Maastrichtse hoogleraar Jim van Os (1960) te vragen hoe onderzoeker, psychiater en menselijk hart samensmelten.

Het is een lange rit. Is het omdat we ons ter voorbereiding van dit interview al weken verdiepen in psychosegevoeligheid, dat tijd, ruimte en roltrappen opeens fluïde lijken te worden? Met de goudgelaarsde Lemmens naast mij stappen we door het labyrint van de campus van het Universitair Medisch Centrum. Vechtend tegen de tijd, zoeken we onze weg naar ‘divisiebureau hersenen’. Een routebeschrijving brengt ons naar een onbemand secretariaat. Er hangt een bemoedigend briefje op de deur: ‘Heb je een afspraak met Jim van Os, neem dan plaats in het Hersencafé, hij haalt je daar op.’ En, het voelt als een wonder, klokslag 14 uur komt Van Os aangewandeld.

Een Professie & Persoon krijgt wel vaker een onverwachte diepgang: grenzen tussen mens en professional vervagen. Ook bij Van Os, alleen al door zijn heel persoonlijke bureauruimte, ingericht met artistieke werken. Een deur op een sokkel (Peter Zegveld, Nederlands beeldend kunstenaar) is het eerste wat de aandacht trekt. Het lijkt een uitnodiging te zijn om ze te openen en erdoor te springen. Dat zal later ook zo blijken, als metafoor voor een therapeutische shift. Van Os reageerde positief op onze uitnodiging, met een in de haast geschreven informeel mailtje vol schrijffouten. ‘Greot Jim.’ Het vermenselijkt een man met een imponerende portfolio. Zijn bureau voelt als een warme, troostende plek achter een groene deur in een koele ziekenhuisgang, met wat ordelijke chaos en allerlei parafernalia. Ik kijk gefascineerd naar een ongeopend cadeautje. In de boekenkast staat naast zijn eigen boeken (Van Os et al., 1993; Karbouniaris & Van Os, 2024, 2025) ook onder meer werk van Brenda Froyen (1978-2024), de Belgische voorvechtster van een menselijke psychiatrie. Op de tafel staat een blik, uiteraard in de vorm van een brein, gevuld met thee.

Van Os staat bekend als een kritische en vernieuwende stem binnen de geestelijke gezondheidszorg, met een focus op herstel, menselijke relaties en systeemverandering. Hij studeerde geneeskunde in Amsterdam en psychiatrie in Jakarta (Indonesië), Casablanca (Marokko), Bordeaux en Londen. Hij is de oprichter van PsychoseNet.nl, een online zelfregiecentrum/herstelacademie bij neurodiversiteit, psychosegevoeligheid, trauma en stemming. Het interview verloopt als een co-creatie: Van Os stelt ons evenveel nieuwsgierige vragen als wij hem. Veel van zijn thema’s lopen als rode draden door zijn eigen levensloop heen. Zijn boodschap laat zich samenvatten: hij pleit voor een psychiatrie die normaliseert, contextualiseert, de-medicaliseert en collectiviseert. In de visie van Van Os is herstel geen individueel proces, wel een proces van gezinnen, gemeenschappen en instituties.

De onvoorspelbaarheid waar Van Os later over zal spreken, dringt zich meteen op in dit interview. Waar ik had bedacht het liever niet over Gaza te willen hebben (de handelingsverlegenheid van een redacteur), is de brandhaard Israël-Palestina onafwendbaar. We zijn nog geen drie minuten ver in het gesprek, en Van Os begint er zelf over. ‘Hoe positioneer je je als systeemdenker in die bredere context van de wereld? Engageer je je? Voer je actie op een NVvP-congres (de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie) als dat gesponsord wordt door een Israëlisch bedrijf? En wat als dat ouderwetse protest ertoe leidt dat je het congres wordt uitgezet? Engagement wordt al snel polarisatie genoemd.’ Het standpunt van Van Os is helder: ‘In dit Universitair Medisch Centrum moet wetenschap maatschappelijke impact hebben. Daar kijken we kritisch naar.’ Een foto aan de muur van Marjan Teeuwen (1953), Verwoest huis Gaza (2016/2017), geeft beeld aan zijn woorden. De Nederlandse kunstenaar onderzoekt met haar kunst in gebouwen die gesloopt of in verval zijn, de littekens van vernietiging. Ze schept zo schoonheid en harmonie uit chaos en verwoesting. De parallel met trauma en heling ontgaat ons niet. De beelden, de woorden en de actualiteit schuiven zó over elkaar heen dat het gesprek even voelt als een meervoudige werkelijkheid: persoonlijk, politiek en professioneel tegelijk. Terwijl Van Os spreekt, wordt duidelijk hoezeer deze thema’s niet los van elkaar te denken zijn.

En precies zoals Teeuwens werk een nieuw patroon zoekt in puin, zo verschuift ook het wereldnieuws in de dagen dat dit interview wordt uitgeschreven. Een broos vredesakkoord tekent zich af. Nauwelijks uitgesproken staat het alweer onder druk. Tegen de tijd dat deze tekst richting eindredactie gaat, is de situatie opnieuw een en al onzekerheid.

Van Os gaat verder. ‘Mijn vader was gynaecoloog. Een complexe figuur, een sterke persoonlijkheid die een lastig leven heeft gehad. Hij was half Indonesisch, in Indonesië geboren. Hij heeft een tijd in een jappenkamp (Japans interneringskamp) gezeten als adolescent. Hij heeft er verschrikkelijke dingen meegemaakt. Omdat hij rebelleerde, werd hij in een mannenkamp opgesloten. Hij is opgegroeid met veel trauma.’ Zijn moeder en zussen zaten in het vrouwenkamp, waar zijn moeder haar dochters als een leeuwin heeft beschermd om niet als ‘troostmeisje’ gebruikt te worden.

‘Mijn vader werd een heerszuchtige en dominante figuur. Hij is veel gaan drinken en wilde zó rijk worden dat hij ongenaakbaar zou zijn. Dat is hem ook gelukt, creatief als hij was. Maar als bingedrinker was hij onuitstaanbaar. Ofwel omdat hij op wilskracht niet dronk, ofwel omdat hij volledig uit de bocht ging. Hij was een Don Juan, een heel mooie man, die daarom dacht dat hij dan maar gynaecoloog moest worden. Een uitwas van de tijdsgeest. Zijn psychiater heeft hem “beter” gemaakt door hem een aantal keer tot een emotionele catharsis te brengen. Genezen verklaard, kon hij afstuderen. Hij ontmoette mijn moeder in het studentenleven, versierde haar en maakte haar zwanger. Hij is altijd een Don Juan gebleven. Hij was een heel goede arts, maar had ergens moreel toch een tik gekregen. Hij had iets losbandigs, een serial philanderer. Mijn ouders zijn gescheiden toen ik 11 jaar was.

Mijn moeder is een Friezin uit een academisch geslacht. Ze was heel nuchter en intelligent, op haar manier neurodivers. Haar grootvader en broer waren hoogleraar. Ze zorgde voor veel stabiliteit in ons gezin. Mijn moeder was gepassioneerd voor Franse taal- en letterkunde. Zo las ze de Franse negentiende-eeuwse dichter Baudelaire. Ik kreeg er een diepe fascinatie voor de menselijke psyche door. Ik heb al vroeg besloten om psychiater te worden. Mijn moeder is nu 94 en woont nog zelfstandig.

Ik ben de jongste van drie.’ Van Os toont een zwart-witfoto waarop drie jonge kinderen onbevangen de wereld inkijken. ‘Mijn broer, de lieveling van mijn moeder, werd bankier. Mijn zus studeerde aan het conservatorium dwarsfluit en werd daarna belastinginspecteur. Die twee vlogen elkaar daarna op elk familiefeest in de haren. We zijn alle drie goed terechtgekomen. Onze weerzin tegen verslaving, gevoed door het vele drinken van onze vader, heeft ons uiteindelijk beschermd tegen onzigen verslavingsgevoeligheid. Ik heb die zeker, de zuchtigheid, maar ik weet die in veilige banen te leiden. Als student heb ik heel veel gedronken. En ik ben daar door anderen toen gelukkig in teruggefloten.

Maar de volgende generatie, die van onze kinderen, heeft de gevolgen van het transgenerationele trauma wél moeten dragen; het werd een echte slachting. Een neef van mij, een zoon van mijn zus, is drie jaar geleden uit het leven gestapt. Bij mijn zoon heeft onze familiale psychosegevoeligheid tot manische psychoses geleid. Hij heeft gelukkig snel de juiste weg naar herstel, steun en betekenisvolle anderen gevonden. Met mijn dochter en een andere neef gaat het dan weer heel goed. We hebben allemaal talenten en gevoeligheden en bij sommige mensen zijn die heel uitgesproken. Hoe kun je je talenten gebruiken zonder aan je gevoeligheden ten onder te gaan? Dat is eigenlijk dé grote levensvraag. Neurodiversiteit is een natuurlijke, waardevolle variatie. Creëer een omgeving die bij jou past, in plaats van jezelf voortdurend aan je omgeving aan te passen.

Ik heb, toeval of niet, onderzoek gedaan naar die psychosegevoeligheid van mensen. “Hoor je stemmen?” “Ben je achterdochtig?” Twintig procent van de jongeren herkent het. Slechts twintig procent daar weer van komt in de zorg. Bij het merendeel van de mensen gaat het vanzelf over. Psychotisch ontsporen is menselijk. Omdat het gaat over betekenis geven aan de omgeving op basis van gevoelssignalen. En dat doen we allemaal. Bij een psychose zie je te veel betekenis in de wereld om je heen. Het is een staat van “hyper-betekenis”. Bewustzijn is de ervaring dat we iets ervaren. En in die complexiteit ontstaat psychisch lijden. We kunnen van alles vinden over wat we denken en voelen. En daarin kan een machtig en dwingend lijden vast komen te zitten. Bij psychisch lijden is de flow weg. Ons gevoel van toekomst stokt, dat is een bizar gevoel. Mensen komen dan in een heel gekwelde toestand. De boeddhisten en de filosofen (Van Os vermeldt Deens filosoof Kierkegaard en de Franse filosoof Ricoeur) hebben daar meer over nagedacht dan wij psychiaters en psychologen.

Psychische klachten zijn altijd een uitvergroting van iets wat we allemaal in ons dragen. Er is geen kwalitatief verschil. De angst van een angststoornis is dezelfde angst die gezonde mensen kennen.

In psychische nood is de aanwezigheid van een ander mens wezenlijk. Relatie is alles. Het bewijs daarvoor staat als een huis, het is véél sterker dan psychotherapie of welk antidepressivum dan ook. Bij ieder mens, bij elk gezin moet je opnieuw luisteren, improviseren en experimenteren. Wij zijn de specialisten van de complexiteit, de onvoorspelbaarheid, de onbegrijpelijkheid. Dat is het mooie van ons vak. En ook het lastige. Tegelijkertijd straal je uit dat verandering mogelijk is. We verleiden mensen om te durven geloven dat er iets kan bewegen in de blokkade die ze voelen. We bieden een perspectief, dat lijden samen gedragen én verdragen kan worden, in de verbinding met anderen. Zo kan er ruimte ontstaan rond kwellend, psychisch leed.’

Van Os vertelt verder. Over de periode dat hij in Marokko (Casablanca) en Frankrijk (Bordeaux) studeerde. ‘Psychiater Marc Bourgeois (1944) zag in Marokko hoe ik wilde verbinden met mijn patiënten. Hij beloofde me een goede ervaringsplek in een groot psychiatrisch centrum in Bordeaux. Een ouderwets ziekenhuis met paviljoenen, waar patiënten als onbetaalde werkkrachten werden ingezet. Ik heb er uiteindelijk ontzettend veel geleerd, vooral over hoe het niet moet. Ik woonde in een huisje op het domein. Ik was verantwoordelijk voor een paviljoen met veertig patiënten die in eerder erbarmelijke omstandigheden leefden. De verplegers (veelal boeren die er een baantje bij namen) hadden te veel macht en vonden het maar niks dat ik de monstrueuze cocktails met medicatie wilde afbouwen. Om me onder druk te zetten begonnen ze me ’s nachts wakker te bellen. Ik was jong, naïef en idealistisch. Door slaapgebrek en stress ontspoorde mijn zoektocht naar een homeopathische oplossing. Met grote flessen water maakte ik verdunningen met eau de vie de framboise. Mijn bewustzijn vergleed in relatieve eenzaamheid en begon af te drijven. Interessant, maar ook beangstigend en ontwrichtend. Gelukkig was het ziekenhuis ook de herstelplek voor zieke psychiaters. Een Armeense collega uit Parijs merkte op dat het niet zo goed met me ging, en dat ik in een vroege fase van een psychotisch proces zat. Die corrigerende interactie heeft me geholpen. Door zijn ogen kon ik begrijpen wat er gebeurde en mijn zelfhelend vermogen aanspreken. Bij mij ging het zo vanzelf weer over.

In de eerste jaren van mijn carrière sprak ik niet over die ervaring. Uit schroom. Nu kan het wel, de tijdsgeest is anders; we weten meer over het psychosespectrum.

Het jaar erna deed ik onderzoek in Engeland. Ik ontdekte hoe een psychose in elk land anders werd gedefinieerd, gediagnosticeerd en behandeld. Veel psychiatrische diagnoses zijn culturele constructies die niet altijd aansluiten bij de ervaring van de patiënten. In het medisch tijdschrift British Medical Journal publiceerden we een artikel waarin we beschreven dat Engelse en Franse psychiaters een heel verschillende conceptualisering hadden van schizofrenie (Van Os et al., 1993). Hoe kan dat!? Dat sloeg in als een bom … Want wat is dan wetenschap? Psychoses zijn me altijd blijven intrigeren. Het is merkwaardig dat ook mijn zoon, op dezelfde leeftijd als ik, het idee kreeg dat hij naar Rusland moest reizen om een hoge toren te bouwen waarop hij zijn bruid zou vinden. Bij hem is het verder ontspoord. Nu is hij al jaren stabiel en gaat het goed met hem, mede dankzij een fijn gezin.

Ik heb al ongelooflijke herstelverhalen beluisterd. En altijd speelt een ander mens een sleutelrol. Iemand die uitreikt, doet iets verschuiven. Dát is een wetenschappelijke bevinding die staat als een huis. Bij verandering in psychisch lijden heeft een ander mens de grootste impact. Mensen kunnen daardoor terug in een flow komen, uit de stucknessgeraken.

Soms zie je ook God ten tonele verschijnen in een herstelproces. Een spiritueel kader kan heel helpend zijn om een psychose te kaderen. Mensen komen er een heel eind mee. Sommige mensen worden diep religieus om iets wat zo ontwrichtend is, toch te integreren. Mensen moeten er iets mee. God is ook een relatie, een transcendente relatie.’

‘De Liefde dus?’

‘Ja, de Liefde.’ We vallen alle drie even stil en staren dromerig voor ons uit.

 

We eindigen waar we begonnen zijn. Bij een thema waar ik het liever niet over wilde hebben. Psychedelica. Moeilijke thema’s zijn als moeilijke emoties, je benadert ze beter voorwaarts, door erin te duiken en ze van binnenuit te onderzoeken.

‘Psychedelica. Ik ben enthousiast én sceptisch, het is niet het nieuwe Walhalla. Ik heb het onlangs zelf samen met mijn vrouw gedaan, met een goede voorbereiding en begeleiding. Ik schreef er een boek over (Karbouniaris & Van Os, 2025), dus ik moest het natuurlijk ook een keer zelf doen. Het was een prachtige, bijzondere ervaring, de psilocybinereis. Onze individuele reizen kruisten elkaar ook, een herbeleving van liefde en onuitgesprokenheden. Dat is ons toegevallen. Als we ervan uitgaan dat er bij psychisch lijden een shift moet gebeuren, in de vorm van een ritueel, dan kan dit een heel goede vorm zijn. Voor sommigen zal het de weg zijn, deze zeer krachtige transformatie. Je leert je bewustzijn ook anders kennen. Maar niets is zaligmakend, ook dit niet.

Hoe ik tot rust kom? Elke dag is weer een dag, met momenten die goed en veilig voelen. Ik ben heel graag met data bezig, ik vind het fijn om een enorm grote dataset te onderzoeken en patronen bloot te leggen. Ik ben dan heel gefocust bezig, met ontrafelen, ontdekken in chaos, het zoeken van verbanden. Het is mijn “heilige graal”, ik kom al wroetend tot rust en ik kan er helemaal in opgaan.’

We laten Van Os gaan. Hij geeft college over psychisch lijden aan geneeskundestudenten. En precies op het moment dat ik vind dat deze tekst klaar is voor de eindredactie, dringt het derde thema waarover ik had willen zwijgen zich op. Het staat op de voorpagina’s, en zelfs in mijn vriendenkring gaat het erover: euthanasie bij jonge mensen die ondraaglijk psychisch lijden.

Jim van Os is expert in het eSpreekuur van PsychoseNet. Je kunt hem via het eSpreekuur je vraag stellen. Gratis en anoniem. www.psychosenet.nl.

Referenties

  • Karbouniaris, S., & Os, J. van (2024). Kopzorgen – Neurodiversiteit begrijpen. Lannoo-Campus.

  • Karbouniaris, S., & Os, J. van (2025). Psychedelica begrijpen in 33 vragen. Lannoo-Campus.

  • Os, J. van, Galdos, P., Lewis, G., Bourgeois, M., & Mann, A. (1993). Schizophrenia sans frontières – Concepts of schizophrenia among French and British psychiatrists. BMJ, 307(6902), 489-492.

Voorwoord Tijdschrift Systeemtherapie

Voor het tijdschrift Systeemtherapie schrijven de (Nederlandse en Belgische) redactieleden om de beurt het voorwoord. Voor nr 37/4, december nummer 2025, was het mijn beurt..

Valse piano’s

Jasmien Peeters

Bij het warme licht van een volle augustusmaan, knaloranje klimt ze op, sprokkel ik een voorwoord bij elkaar op mijn klavier. Astrologen geven aan elke volle maan een betekenis. Als tegenwicht tegen een reductionistische geest, lees ik me soms in om mijn brein soepel te houden. Wellicht is astrologie, net als therapie, een ritueel van hoop en verwachting. Deze ‘Steurmaan’ moedigt aan onze waarheid eerlijk en onbevreesd te spreken. Ik open mijn mond en laat een luide boer.

De steur is een sterke, Noord-Amerikaanse vis die, net als systeemtherapeuten, moedig stroomopwaarts zwemt.

Die nacht droom ik dat mijn haar wordt kort geknipt. Wat langer aan de zijkanten, heel kort aan de achterkant. Ik word opgelucht wakker. Een droomencyclopedie (Ball, 1989) suggereert dat ik oude patronen loslaat. lk lees op de reclame feed van de astrologe dat ‘Köln 75’ vanaf november 2025 in de Belgische bioscopen speelt. Synchroniciteit. Ik maak er de invalshoek voor dit voorwoord van. Het is de verfilming van het mythische improvisatieconcert van de Amerikaanse jazzpianist Keith Jarrett (1948). Het speelde een cruciale rol in mijn vertrouwen in ons vak. Hoe ik leerde dat ‘voelen’ een weg kan openen naar heling. Velen van ons ontmoeten cliënten die met breuken leven. Maar wat als die breuk in onszelf zit? Wat doet dat met onze blik, ons werk, ons mens-zijn? Vertrouwen we dan ook op het systeemdenken?

Mijn breuken (huwelijk, hart, sleutelbeen, ga zo maar door) brachten me dichter bij de kern van ons vak. De plattegrond en de wegwijzers die onze pioniers hebben uitgezet vormen een betrouwbaar kompas. En zoals een kompas waarde krijgt in stormweer, ontdekte ik hoe het systeemdenken voor mij echt betekenis kreeg toen het leven uit elkaar leek te vallen. Ik ervoer hoe consistent een therapeutisch model kan zijn, hoe troostend en hoopvol. Maar ook de prijs die we soms betalen voor veranderingsbereidheid.

‘Therapeutische vooruitgang is sterk afhankelijk van ieders vermogen zijn verlies te ver- werken,’ (1994, p. 191) schrijft Ivan Boszormenyi Nagy, de Hongaars-Amerikaanse psychiater en systemische pionier die mij sterk beïnvloed heeft. Om te groeien is pijn het buigpunt van waaruit heling begint. Maar waar ligt de sleutel tot dat voelen? Ik vond de mijne toevallig, in een oude kast die mijn ex-man vergat leeg te maken. Een CD. Drie jaar lang heb ik naar Jarrett geluisterd, op mijn rug in de fauteuil, blik op het witte plafond. In dit meest beluisterde jazzconcert ooit, wisselen tederheid en tristesse elkaar af in een bovenmenselijke schoonheid. Het hielp me om verdriet in tranen te gieten. Ik vertrouw sindsdien dat de juiste sleutels wel zullen komen in ons leven, misschien verscholen tussen tabaksresten en oude foto’s.

Toen ik mezelf dat voelen toestond - en dat voelen daardoor ook bij mijn cliënten durfde laten bestaan - ontstond er meer ruimte. Geen pasklare oplossingen. Wel beweging.

Nog niet zo lang geleden, toen het stof optrok, deed ik wat opzoekingswerk. Eerst en vooral las ik dat Jarrett ook met breuken leefde. Hij ging zelfs tweemaal door een scheiding. Hij schreef hoe diep kwetsbaar hij zich voelde in die periode (Jarrett, 2009) en dat muziek een houvast was om overeind te blijven.

Het Keulen concert had hij bijna niet gespeeld: het is 24 januari 1975, concerthal van de Opera. De vooravond van een volle Wolfmaan. Jarrett is moe, heeft rugpijn, en de gevraagde topconcertvleugel is niet te vinden. Enkel een inferieur oefeninstrument staat klaar. Bij de soundcheck zinkt de moed hem diep in de schoenen achter een vals klinkende piano. En toch begint hij vlak voor middernacht te improviseren voor de meer dan veertienhonderd mensen in de zaal. Hij opent: ’Sol re do sol la’. Een existentiële ervaring, noemde hij het later zelf, in dialoog met de piano en het publiek. Niet desondanks, maar dankzij het ondermaatse instrument en de fysieke pijn, creëerde hij een tijdloos meesterwerk. Lijden kreeg een transformerende kracht en duwde hem in pure zelfoverstijgende aandacht. Jarrett speelt als een steur tegen de stroom in, naar de stilte vóór de muziek. Van daaruit ontstaat iets helends.

Dat besef van die alchemie zorgde ook in mijn werk voor verschuiving. Niet omdat ik opeens wist ‘hoe het zat’, maar omdat ik een doorleefder geloof in en geduld met lijden had. Ook cliënten, overbelast, geïsoleerd en gebroken, moeten vaak met pijn op een slechte piano spelen. Juist daarin ontstaat ruimte voor creativiteit, maatschappijkritiek, rebellie.

Stroomopwaarts klinkt de muziek van ons vak het mooist: kwetsbaar, in relatie. In dit nummer zwemmen collega’s moedig stroomopwaarts.

Maarten van der Linde en Robert van Hennik zwemmen samen met de Canadese Karl Tomm in tegen de stroom van de psychiatrische diagnoses. ‘Uit de greep van destructieve interactiepa- tronen – Werken met IPscope’ legt patronen bloot die ons vangen. Ze zijn enthousiast over de IPscope om circulaire interactiepatronen zichtbaar te maken in de taal van de cliënten. ‘IP’ staat voor interpersoonlijke patronen. De lezer wordt even duizelig van de verschillende catego- rieën van IP’s (afgekort als PIP, DIP, WIP, HIP, TIP en SCIP), maar bij een gedegen lezing is dit een erg inspirerend artikel voor de systemische praktijk.

Karlijn Heesen, Wendy Boezer, Ellis Veldwijk, Dani de Beijer en Elisa van Ee schreven ‘Herstel in beweging, Psychomotorische Gezinstherapie bij trauma’. We lezen hoe deze korte interventie waardevol kan zijn binnen traumazorg. Systeemknopen via ervaringsgerichte tech- nieken aanpakken biedt een unieke meerwaarde.

Gezinstherapeut Hans Dieleman schreef ‘Verhalen die elkaar raken. Identiteitsverster- kend werken met jongeren in kinderpsychiatrische setting met de outsider witness methode van Michael White’. Hij vertelt hoe deze gesprekken depathologiserend werken. De kracht van ande- re jongeren als meelevende en meevoelende getuige blijkt een sterke hefboom.

Ons handboek Systeemtherapie is voor de tweede keer aan herziening toe. Pieter Lucas Heije en Anne Maaskant gingen in gesprek met de vierkoppige redactie (Ellen Reijmers, Justine

van Lawick, Elisa van Ee en Paul Castelijns), die werkt aan de derde editie die in de herfst van 2026 verwacht wordt Het schrijven van deze derde editie is opnieuw een vitaal en circulair pro- ces, verbindend voor het systeemtherapeutische werkveld.

Wilco Kroon en Bruno Hillewaere interviewden Monica McGoldrick van het Multicultural Family Institute in New Jersey (VS) voor de rubriek Professie & Persoon. Ze overtuigden de eind- redactie terecht om de Engelse titel te behouden: ‘Hope and history can rime’. Het is een ver- wijzing naar het gedicht van de Ierse Seamus Heaney (1991) en past prachtig bij de Ierse wortels van deze moeder van het genogram:

History says, don’t hope

On this side of the grave.

But then, once in a lifetime

The longed-for tidal wave

Of justice can rise up,

And hope and history rhyme

De thuisblijvers lezen in dit nummer twee congresverslagen vanuit hun luie zetel en zijn er zo zelf ook een beetje bij: Wilco Kroon en John Robbemond pakten in juni 2025 hun rugzak in en vertrokken naar Oslo voor een congres ‘Making room for spiritual and existential perspectives in dialogical and systemic practice and research’, georganiseerd door INSPIRE VID universiteit Oslo. Ze genoten in een klooster van de goede dialogische sfeer en rijke inhoud.

Selma Kloeg woonde het Symposium ‘Vriendschap in de therapie: Grens of zegen?’ bij. Drie sprekers onderzochten of een vriendschapsrelatie tussen cliënt en therapeut een meer- waarde kan hebben. Organisator psychologenpraktijk Nedanza zorgde ervoor dat Kloeg naar huis ging met inspiratie, al miste ze ook wat interactie.

Ook qua boeken veel moois. Er liggen drie werken op de plank en evenveel lovende re- censies: Liesbeth Monballiu las het boek van de Nederlandse emotie-onderzoeker Batja Mesquita, De emoties tussen ons. Mesquita brengt een boeiend verhaal over haar onderzoek, dat zich richt op de rol van emoties over verschillende culturen heen. Wie emoties echt wil begrij- pen, dient ze te benaderen vanuit een relationeel en cultureel perspectief.

Beatrijs Lens-van den Berg las het boek van hoogleraar psychiatrie Judith Herman, Waarheid, eerherstel en gerechtigheid. Lens looft het als een belangrijk standaardwerk. Ik ben meteen fan van het boek: het patriarchaat, de meest wijdverbreide en hardnekkige vorm van tirannie, wordt aan de kaak gesteld. Ernaast een pleidooi voor de verschuiving van schaamte naar daders.

Nog een boek over trauma: Marijke Roosens pakte Mag ik bij jou? – Omgaan met trauma vast van Elisa van Ee, hoogleraar psychotraumatologie. Inderdaad, in dit nummer is ze ook me- deauteur van het tweede artikel. Het boek is volgens haar een aanrader voor systeemtherapeu- ten. Het herinnert ons aan de kracht van relaties in herstel, ook in tijden van pijn.

Lezer, geniet van dit mooie nummer, met het Keulenconcert op de achtergrond.

Referenties

Ball, P. (1989). Droomencyclopedie. Meulenhoff Boekerij.

Boszormenyi Nagy, I. & Krasner, B.R. (1994). Tussen geven en nemen – Over contextuele thera- pie. De Toorts.

Fluk, I. (Regisseur) (2025). Köln 75 [Film]. One Two Films; Extreme Emotions; Gretchenfilm; MMC Studios Köln GmbH. V

Heaney, S., & Sophocles. (1991). The cure at Troy – a version of Sophocles’ Philoctetes. Farrar, Straus and Giroux.

Jarrett, K. (2009). Paris / London – Testament [Liner notes]. ECM Records.


Emily Nagoski <3

Professie & Persoon

Jasmien Peeters & Albert Neeleman

Voor het tijdschrift Systeemtherapie interviewde ik samen met collega Neeleman Emily Nagoski (nummer 36.4). Professie en Persoon is mijn vaste rubriek. In deze rubriek gaat het om het delen van kennis en ervaring via het persoonlijke en unieke verhaal van een bekende systeemtherapeut. http://www.tijdschriftysteemtherapie.nl

Activist op ballerina’s

Ontmoeting met Emily Nagoski

De EFT World Summit in Haarlem, juni 2024, is een buitenkans om de Amerikaanse seksuoloog Emily Nagoski (1977), een van de keynotespeakers, te vragen voor deze rubriek Professie & Persoon. Ze zegt ja tegen een ontmoeting op de tweede dag. In de achtbaan van de Summit slagen Albert Neeleman, Nagoski en ik er wonderwel in om mekaar te ontmoeten voor een kort gesprek. We nemen wat afstand van het gedruis en geroezemoes, voor zover dat al mogelijk is met 1198 (!) anderen. Ik ben volledig overweldigd door de wervelende Summit en kan alleen maar, stotterend en stamelend, klungelig over Kung Fu Panda beginnen (stressresponscyclus niet voltooid, vijf kilometer hardlopen tijdens de lunch was beter geweest (referentie Burn-out)). Gelukkig slaagt mijn collega Neeleman er in om Emily allerlei zinvolle vragen te stellen, zo vlak voor ze het podium op moet als laatste spreker van de tweedaagse. Ze draagt platte ballerina’s, een zwart kleedje met geometrische patronen en zwarte polszweetbanden (ik snap het: haar keynote doet niet onder voor een atletische topprestatie). Ze wandelt met twee krukken, die ze vervolgens ergens op het indrukwekkende orkestpodium in de Phil vergeet. 

Ze woont samen met twee honden, een kat en een cartoonist in Massachusetts, Oost Amerika. De cartoonist vond ze op de datingapp OkCupid, het is haar man Richard. Hij illustreerde haar laatste boek Come Together, doet ook haar boekingen, en is de gatekeeper van haar agenda. Zo waakt hij er mee over dat dit interview niet het geplande transatlantische online tweede deel kent. Nagoski heeft een opflakkering van long COVID én is overboekt. 

Alleszins neemt ze haar eigen advies, dat rust écht belangrijk is (+- 10 uur per dag) au serieux (2020, hoofdstuk 7). Dat vind ik sterk aan haar denken: ze geeft altijd een Grotere Reden om echt goed voor jezelf te zorgen en goed in je vel te zitten. Je lichaam de rust gunnen dat het nodig heeft is zelfs een belangrijke daad van verzet: wie uitgerust is, is weerbaar in een samenleving die, hoe graag we dat ook anders zien, nog altijd gedomineerd wordt door witte cisgender mannen. Het patriarchaat (in haar boek steevast gevolgd door (Ugh.)) is de vijand, niet ons lichaam dat rust nodig heeft. 

Deze bijdrage is dus gebaseerd is op een korte ontmoeting in Haarlem. Toch is er meer dan genoeg vertelstof: een kruising tussen een kort interview, een boekrecensie en een congresverslag. De rabbit hole ‘Nagoski’ is boeiend. Ik blijf dieper duiken. Haar boeken zijn fantastisch. Haar twee TED Talks zijn terecht veelbekeken. Werkboeken, werkbladen (“SMASH het patriarchaat (Ugh.)”), podcast, haar blog (Confidence & Joy). 

Gewend als ze is om voor slaap-gedepriveerde studenten te spreken, weet ze hoe ze een publiek wakker moet houden: met spannende stiltes, cliffhangers en goed getimede stemverheffingen. Als ‘stand-up sex educator’ een genre is, dan hangt de zaal aan haar lippen. Ik smelt voor haar: ze is grappig, gevat, een beetje geeky ook, deze zelfverklaarde nerd. Sue Johnson en gehechtheid hebben een prominente plaats in al haar boeken: “Reik uit om gesteund en gekalmeerd te worden door je veilige mensen, we zijn per slot hechtende zoogdieren!”

Op het einde van het korte gesprek (we nemen afscheid en wensen haar succes, ze moet het podium op) zie ik de lichte verwarring in de ogen van mijn co-redacteur. Want ja, iets in het gesprek is anders. Als ik hem vertel dat ze de diagnose ASS kreeg in 2021 zie ik die verwarring veranderen in de warme, kalme nieuwsgierigheid die Nagoski zo belangrijk vindt en waar ze zo op hamert, voor onszelf en voor de ander. In haar boeken schrijft Nagoski er weinig over, maar met wat online opzoekwerk lees ik haar blogs over neurodivergentie. Ook andere thema’s waar ik nog onwennigheid rond voel, tackelt ze op een manier die ze voor mij behapbaar maken: non-binariteit, de gender illusie, polyamorie, LGBTQIA2S+ (het acroniem dat verwijst naar alle geslachten, seksuele oriëntaties en genderidentiteiten) .

Nagoski, nu fulltime schrijver en spreker, doceerde Women's Sexuality aan het Smith College in Northampton, een universiteit in Massachusetts en promoveerde op het onderwerp Health Behavior. Haar favoriete thema’s zijn (vrouwelijke) seksualiteit, communicatie en relaties.

Ze startte als gezondheidsvoorlichter (slaap, alcohol, lichaamsbeweging, anticonceptie, faalangst…) voor medestudenten op de campus van Delaware (een staat aan de oostkust van de VS). Ze volgde er zelf ook haar eerste opleiding, cognitieve wetenschappen en filosofie. Een combinatie die ze een supersoep noemt. Eigenlijk had ze de ambitie om neuropsycholoog worden, maar als seksuele voorlichter heeft ze zoveel positieve, echte impact op de levens van jonge vrouwen dat ze de voldoening onweerstaanbaar vond en meer wou. Als begeleider van studenten op de campus was ze onder de indruk van het helende effect dat haar antwoord elke keer opnieuw had: ‘Maak je geen zorgen, je bent echt helemaal normaal.’ Al zijn we allemaal uniek, toch zijn we uit dezelfde onderdelen opgebouwd, en is de afstelling bij iedereen anders. Op de laatste vraag op het eindexamen aan haar studenten “Wat is het belangrijkste dat je hebt geleerd in mijn lessen?” kwam steevast hetzelfde antwoord terug: ‘Ik ben niet gebroken’, ‘Ik kan mijn lichaam vertrouwen’, ‘Er is niets mis met mij’. 

Ook het onderzoekscentrum Kinsey Instituut  aan de universiteit van Indiana was een inspirerende omgeving: “Ik was 21 jaar, studenten van alle universiteiten konden me mailen met hun vragen over seks. Als ik het antwoord niet kende, dat ging ik het opzoeken in de bibliotheek boven. Ik heb er zoooooveel geleerd. Onder andere leerde ik er van de voormalige directeur John Bancroft en Erick Janssen het dual control-model (de gaspedaal, SES, en de rempedaal, SIS), dat zij hebben ontwikkeld in de late jaren ’90. Mijn schedel ging open, mijn brein viel eruit en het herorganiseerde zichzelf, anders en beter….”. Met een krop in haar keel: “Ik zal de rest van mijn carrière proberen om de kansen die ik daar heb gekregen te verdienen”. 

Als ze aan den lijve ondervindt hoe krachtig en helend het is als een trainer heel gewoon over seks spreekt (van aambeien tot zaadvocht), wil ze die ervaring doorgeven aan haar studenten. “Ik oefende het in mijn werk en zag hoe krachtig het effect was. De juiste informatie en feiten zijn zo bevrijdend voor vrouwen. Ik groeide op in een gewoon Amerikaans middenklasse gezin en kreeg een hele doorsnee seksuele opvoeding. Er was geen expliciete boodschap over seks, maar wel een impliciete en die had zijn impact: “We spreken er niet over”. Toen ik als elfjarige in de auto aan mijn mama vroeg wat een vagina was, begon ze verward te blozen. Het was pas ’s avonds thuis in de medische encyclopedie dat ik de betekenis vond. Toen ik later de klassieke ervaringsoefening deed, mijn eigen genitaliën bekijken met een spiegel, had ik daar allerlei negatieve gevoelens bij. Ik had het gevoel dat ik een vijand tegemoet ging treden. Waar kwam dat vandaan!?! Ik huilde toen die oefening me hielp om mijn seksualiteit in mijn lichaam te integreren. Het was gewoon een deel van mij, zoals mijn knieën of mijn oksels.  

Ik wou dat doorgeven aan andere vrouwen en op grotere schaal! Vier jaar werkte ik aan mijn eerste boek ‘Kom als jezelf - De opzienbarende nieuwe wetenschap die je leven zal veranderen’ (snoeproze cover, een rood tasje met rits is een variant op het suggestieve vulvafruit). Het boek werd een bestseller maar het schrijven van een boek over seks was… allesbehalve erotiserend. 

Het leidt tot een maandenlange ‘droogteperiode’ in haar eigen leven, door stress en vermoeidheid. Ze was net getrouwd, en haar eigen adviezen uit Come as you are schoten tekort. Hoe het haar deed voelen, als ‘sexpert’? “Gestresseerd, depressief, angstig, eenzaam, zelfkritisch”. “Ik was zo overweldigd, seks was het allerlaatste waar ik aan dacht. Als ik mijn eigen adviezen opvolgde kon ik alleen maar in slaap vallen en/of huilen. Ik had dus meer hulp nodig dan ik in mijn eigen boek vond. Als onderzoeker deed ik wat ik altijd doe: ik ging te rade bij Google Scholar, een zoekmachine voor wetenschappelijke literatuur.” Ze duikt in de data, op zoek naar ideeën. Het is het begin van een nieuw boek, voor koppels deze keer: Come together, De wetenschap (en kunst!) achter het creëren van een blijvende seksuele verbinding. Op de cover verdwijnt het beentje van de letter M speels in de O. In allerlei tinten roze die me onwillekeurig aan het kleurenpalet van de kleine en grote schaamlippen doen denken in verschillende stadia van opwinding. 

Wat leerde Google Scholar haar? De gangbare conversatie over ‘de vonk levendig houden’ bleek irrelevant. Verrassing: mensen die samen een goed seksleven levendig kunnen houden spreken niet over de vonk! Ze spreken over… plezier, wat ze fijn vinden. 

ze zijn goede vrienden (er is bewondering en vertrouwen. Een basisaantrekking is nodig, maar je hoeft je partner geen ‘hot stuff’ te vinden)

ze vinden seks belangrijk, zien het als een gedeeld project en werken samen om er tijd en ruimte voor te maken en geven er (elke keer opnieuw, want soms valt het onvermijdelijk van de lijst) prioriteit aan. Seks zien ze als een gedeeld hobby.

ze volgen hun eigen regels voor hun seksleven (niet simpel, voegt ze toe, je rekent af met sociaal geconstrueerde seksuele imperatieven en ondermijnende Morele, Medische en Mediaboodschappen) En verlangen dan? Vergeet het woord verlangen. Het is géén ingrediënt. Lees dit nog eens: het is geen ingrediënt. Een vraag die wel erg belangrijk is: Welke seks is het waard te willen? Zoek dat samen uit! ‘Sometimes low desire is evidence of good judgement’, een quote van Peggy Joy Kleinplatz, een Canadese seksuologe. Zo simpel kan het zijn. Waarom zou je seks willen die je niet leuk vindt? 

De gemiddelde leeftijd van de M/V/X die rapporteert over buitengewoon goede seks (de soort die je brein doet smelten en jezelf doet overstijgen) is 55 jaar. Nagoski, 47 jaar en een vroegbloeier, benadrukt dat seksueel plezier van ons een betere mens maakt. Het kan het ultieme vehikel voor connectie zijn. En (extatisch) genot kan niet tegelijk bestaan met moeilijke emoties zoals schaamte, bitterheid, woede, angst … “Oefenen met genot is oefenen om buiten al die dingen te leven, leren hoe je ze kunt loslaten”. De enige echte bron van wijsheid over onze eigen seksualiteit komt uit ons eigen lijf, onze binnenkant, en kan ook alleen maar vandaar komen. Ik ben bezig een wereld te creëren die niet meer liegt tegen vrouwen over hun lichaam. Mijn boeken gidsen mensen alleen maar naar huis.”

Nagoski schrijft verdomd goede richtingaanwijzer. Ze laat nergens uitschijnen dat het gemakkelijk is. Wel dat het belangrijk is en de moeite waard. Goede seks is mogelijk. Als we er naar streven, er naartoe stretchen alsof het een yogapositie is (het hoeft niet volmaakt, oefening, geen perfectie) dan zal ons seksleven, op zijn minst, enorm verbeteren.” 

Ze wringt data uit als een natte bikini om ‘waarheid’ te vinden. Kennis is bevrijdend voor vrouwen.Wie kwalijke leugens (Media, Medisch, Moraliteit) als een etterbuil doorprikt, kan leven vanuit zelfvertrouwen (de waarheid kennen) en goed in haar vel zitten (van die waarheid houden). Nagoski is verontwaardigd: het fictieve onbereikbare ideaal dat de bikini industrie ons voorhoud is een daad van onderdrukking en geweld. Het patriarchaat (Ugh.) dat zijn eigen bestaan bovendien ontkent (gaslighting, iemand?), is als giftig woekerend onkruid. Als we onze tuin zorgvuldig wieden, doen we dat ook voor anderen, zodat de zaden van ons onkruid niet naar andere tuinen vliegen om daar wortel te schieten en onze tuin anderen inspireert. 

Ze maakt het simpel, maar benoemt ook het complexe proces. Om te helen en genezen, moet je voelen en dat doet pijn. Omarmen, accepteren en transformeren zijn sleutels. Kleine stapjes zijn goed.

Nagoski Weetjes: 

Ze heeft een identieke tweelingzus Amelia (een dirigente), met wie ze samen het boek ‘Burnout’ schreef, na de Burnout van Amelia. 

In 2021 kreeg ze de diagnose ASS, net zoals haar zus (nadat ze naar de Pixar kortfilm ‘Loop’ keek (2020)).

Ze is de dochter van twee muzikanten.

Ze houdt van SPSS (een statistisch computerprogramma voor de sociale wetenschappen: geeky, ik zei het al).

Nagoski post soms op sociale media, met look-alike pop als alter ego,… de blauwharige Nagoggles (to goggle: ook with wide open eyes, typically in amazement).

Ze poseerde in pyjama (in pyjama!) voor de New York Times (dat is niet de enige zelfonthulling. Ze vertelt over zichzelf, voor de lezer heel ontschamend).

In haar drie boeken eindigt elk hoofdstuk met een fantastisch lijstje “TL;DR”, (de Engelstalige internetafkorting voor ‘te lang; niet gelezen’), een geniale vondst om snel iets op te zoeken of terug te vinden. Want haar boeken vragen wat aandacht: ze introduceert concepten die ze weliswaar helder en bevattelijk uitlegt. Maar het leest als een roman van Tolstoj, heel veel personages, en het duurt even vooraleer je met ze allemaal vertrouwd bent: arousal-discordantie, criteriumvelociteit, discrepantie reducerende feedbacklus, dual control-model , SIS en SES. 

Haar boeken hebben ook een activistische kant, die me diep beroert en charmeert, een zaadje plant. Ze maakt zo voor mij het onderscheid met vele andere auteurs. 

Het patriarchaat. Ik heb er zelf nog wel een ei mee te pellen. Daarom speel ik op reis het “New Hotness” spel van Nagoski, een manier om de kritiek die je op je lichaam hebt los te laten en de shift te maken naar warme zelfacceptatie. Enter mijn versleten jeansshort, eigenlijk voorbehouden om in de beslotenheid van mijn tuin te klooien, onkruid te wieden en de dakgoot leeg te maken. De bikini industrie, en, toegegeven, mijn vader (toch de drager van dat MC1R gen voor rood haar) lieten me 40 jaar lang geloven dat witte benen een no-go zijn. Ik trek, aangemoedigd door Nagoski, strijdvaardig de ultrakorte Wrangler aan. Het helpt dat we in de Alpen vooral koeien en weinig andere wandelaars tegenkomen. Mijn bijdrage start dus eerder symbolisch: modderige Meindls, knalrode kousen, blote melkwitte benen en Emily in mijn rugzak. Ik hou toch toegewijd vol op de overvolle trein naar miljoenenstad München. Ik ruil de short dapper in voor een zwarte bikini (New Hotness voor gevorderden), en duik daar met mijn puberzoon in een ijskoude Eisbach, laat me twee kilometer meedrijven in deze gigantische rivier die als een wildwaterbaan door de stad slingert. Het is verboden, maar pure extase. Ik ben gelukkiger dan ooit, in de koude sterke stroming onder het lover van bomen, tussen de joelende zwemmers, een met het Grotere Geheel waar Nagoski naar verwijst. Tuimelend en buitelend door stroomversnellingen gaan we een paar keer kopje onder. Alle moeilijke emoties zoals schaamte, bitterheid, woede, angst spoelen van me af. Tram 16 pikt ons op en brengt ons, druipend in bikini met blauwe lippen, terug naar het begin. Ik beslis euforisch dat ik het spel gewonnen heb, een-nul voor mij versus de bikini industrie, en nog een welgemeende fuck you. 

Er is te weinig tijd in Haarlem om Nagoski te vragen wat ze jonge en ervaren systeemtherapeuten toewenst. Ik doe een poging om empathisch te gissen en beland toch weer bij Kung Fu Panda, de mollige reuzenpanda. Hij vindt de sleutel tot de onbegrensde macht. Spoiler alert: het blijkt een spiegel te zijn, waarin hij alleen maar zichzelf ziet. De geheime kracht zit in jezelf, in zelfvertrouwen en plezier, luister naar die stem in je binnenste. Het geheime ingrediënt bestaat, je bent het zelf. 

Jasmien Peeters is filosoof, systeemtherapeut en (EFT) relatietherapeut. Ze werkt voor Duet relatiebemiddeling en in haar eigen praktijk. E-mail: jasmien@focus-op-verbinding.be. 

Albert Neeleman is klinisch psycholoog en psychotherapeut, werkzaam als systeemtherapeut bij het Amsterdams Instituut voor Gezins- en Relatietherapie. E-mail: neele.ppan@gmail.com.

Congresverslag voor het Tijdschrift Systeemtherapie: EFT World Summit [Haarlem, 3 en 4 juni 2024]

Maintaining hope in a world of uncertainty

Jasmien Peeters was bij de EFT World Summit in Haarlem met de titel ‘Maintaining hope in a world of uncertainty’. Op haar filosofische, poëtische en persoonlijke wijze schrijft ze over het overweldigende aanbod op dit congres .

De EFT World Summit in Nederland. Ik zet me soepel schrap voor wat ongetwijfeld zal komen: een wervelwind aan straffe omhelzingen, langverwachte ontmoetingen, chaotische indrukken, wat shizzle (tampon, iemand?) en vooral intense emoties. Een collega omschrijft zo’n congres als een bijzondere ervaring van heling en verbinding. Ik ervaarde het eerder al zo (zoals op EFT België, 2021) en geef me over. De belofte wordt helemaal waargemaakt, gelouterd en hoopvol zal ik op vier juni de trein terugnemen naar Antwerpen. 

Het idee omarmen dat het leven veranderlijk en vergankelijk is, hoop bewaren in een onzekere wereld, is een zoektocht. Al jaren luister ik elke avond in de Seefhoekwijk naar het concert van de Californische zeeleeuwen uit de Antwerpse Zoo. Het exotische geblaf waait over de huizen tot in mijn tuin, tot in mijn slaapkamer. Het is me erg dierbaar, het geeft een geborgen gevoel thuis te zijn in deze wereld. De weken voor de EFT World Summit werd het plotseling… stil. Ik google, om verbijsterd te lezen dat Zilver en Zoë allebei gestorven zijn in april en mei…. Ik ben er echt kapot van, denk na over de titel van de Summit in onze eigen levens. Wat als wat onwrikbaar leek, dat toch niet blijkt te zijn? Wat dan? Met die krop in mijn keel stap ik op zondagavond op de trein naar Haarlem om me twee volle dagen onder te dompelen in de kunst en wetenschap van EFT. 

De Summit baadt in een gloed van dankbaarheid, voor onze Sue Johnson die ook stierf in april 2024, en alles wat ze ons naliet. Want uiteraard zal het een Summit zijn met een rouwband. Al vibreren de Levendigheid en Liefde onmiskenbaar in de lucht. 

Een radicaal mild betekeniskader met niet aflatende empathie, om veilig te verbinden (met anderen, met mezelf, met het Leven) en dat uit te dragen, in een wereld die voluit, Gas Gas Gas, met de waanzin flirt. Om beter te verstaan wie we zijn als mens en hoe we kunnen groeien. Hoe zelfacceptatie altijd voorafgaat aan transformatie. De ambitie van de Summit is niet klein: relaties helen maar ook: vorm geven aan relaties die helend zijn. Mijn hart tuimelt van opwinding als het die zin hoort. Ik denk aan een sticker op een regenpijp in mijn straat: ‘Nobody’s free until everybody’s free’ (de zwarte activiste Fannie Lou Hamer, Speech Delivered at the Founding of the National Women’s Political Caucus, Washington, D.C., July 10, 1971). Misschien is niemand echt veilig verbonden, tot wanneer iedereen veilig verbonden is. 

Ik wandel maandagmorgen 3 juni naar de Phil, concertgebouw in het centrum van de stad. Halverwege val ik een collega in de armen die ik sinds lang terugzie. Als een veilige haven voor elkaar zullen we elkaar twee dagen lang (op)zoeken, en ik zie anderen hetzelfde doen. We dragen elkaar door overspoelende dagen. Want het is indrukwekkend, zo’n internationale mengelmoes met: 

  • 1200 deelnemers

  • 53 nationaliteiten

  • Vijf keynotes (voetnoot: 4 van de 5 sprekers zijn geen EFT’ers)

  • Twee workshops, 

  • Een aantal staande ovaties, 

  • Tal van breakout sessions,

  • Experientiële intermezzo’s, 

  • After summit rooftop dinners. 

Veel is fan-tas-tisch: de hartelijke ontvangst door voorzitter Karin Wagenaar en ‘Cherchez l’homme’ John Douglas, de gesprekken tijdens de lunches en de lattes, een gekke fotocabine met dwaze attributen, Laura van Dolron, stand-up filosofe die naar adem doet happen en ook voor ophef zorgt, de grote ruisende populieren ’s nachts, de eend met prei die ik eet in mijn warme gastgezin, Jennifer Lopez die luid door de boxen schalt en een euforische polka therapeuten door een uitgelaten zaal slingert, en alle kleine en Grote synchroniciteiten. Ergens op dag twee valt Albert Neeleman en mij ook nog het geluk te beurt auteur en laatste keynote speaker Emily Nagoski te mogen interviewen voor dit Tijdschrift. Hoeveel mazzel kan je hebben? 

Wat ik met spijt in mijn hart gemist heb: 

  • Working with Neurodiversity in EFT (Hamed Fatahian)

  • The wisdom of the body (Hanna Pinomaa en Karin Wagenaar)

  • Self of therapist: Discovering spirituality in EFT (April Holten)

  • …

Gail Palmer en Leanne Campbell lezen de speech voor die Johnson eerder schreef voor deze Summit. Ik hou mijn adem even in en laat in de plaats daarvan mijn tranen de vrije loop, het voelt als een heilig moment.  De woorden Holy and Healing hebben etymologisch dezelfde wortel. Johnson vertelt het verhaal van een jonge vrouw met vliegangst. Wat, understatement, náár was, want voor haar internationale werk reisde ze de wereld rond. Met een EFT therapeut ging ze terug naar de jeugdherinneringen die verbonden waren met die angst voor de turbulentie. Ze huilde voor haar vier jaar jonge zelf. Door tederheid te geven aan dat jonge deel in haar, nam haar angst geleidelijk af. Die vrouw? En ik zag hem niet aankomen, dat was Sue. ‘We hebben een natuurlijke neiging om te groeien, maar iemand moet ons de weg wijzen.’ Johnson moedigt ons allemaal aan om onze uniciteit binnen te brengen in ons werk. Dit zinderende gevoel van gemeenschappelijkheid sla ik op, zo diep mogelijk in elke vezel van mijn lijf. Ik wil ernaar kunnen teruggrijpen als ik me verloren voel in een moeilijke sessie. 

Johnson schreef gedichten en daarmee eindigen haar 2 collega’s-vriendinnen de eerste keynote:
Luminous, written by Sue Johnson, (dit is het laatste couplet)

August 2006, La Tuque-Lake St Germaine

Onze Sue <3

…

Turning for home as the sun floods the valley

By the small island, waves of light rise up from the water and dance,

Dance across the pale soft pines

Alive – moving – luminous

Beauty beond beauty – my soul sings and I weep

The luminous sweeps me up and holds me close.

The river of light bears me home.





Ik kijk het meeste uit naar Siebrecht Vanhooren, existentieel psycholoog en professor aan de Katholieke Universiteit Leuven. De timing is toevallig: dag op dag drie jaar geleden stierf immers ook mijn huwelijk. Hechte banden zijn sterk én hebben ook een fragiliteit, weet ik sindsdien. Corrosie is een stille maar onverbiddelijke killer. Het was Vanhooren die woorden gaf aan mijn gevoel de jaren erna: existentiële verbrijzeling (al is het begrip van psycholoog Tom Greening (Hoffman & Vallejos, 2018). Het antidotum gaf hij er meteen ook bij: dieper wortelen, steviger aarden (Vanhooren, 2024). Zijn lezing overtreft mijn nieuwsgierige verwachting ruimschoots. Terwijl ik dit schrijf gonzen de bijen, waarover Vanhooren zo bezorgd is (klimaatverandering), in de bloeiende wingerd in de tuin. Na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte wil Mozes de wateren van de Rode Zee splijten. Eerst gebeurt er…  niets. Het is pas als een man uit het niets de moed heeft om het water in te wandelen en te blijven wandelen tot het hem bóven de lippen staat, dat de zee opengaat. Wonderen gebeuren, maar vaak pas wanneer we onszelf voorbij onze uiterste grenzen strekken. Soms scheidt de zee zich pas als we geconfronteerd worden met de mogelijkheid van onze eigen vernietiging. Wat is de les? Misschien gaat het niet over wat te doen maar wie te zijn, wie we willen zijn, en de moed en de wil om die verandering zelf te belichamen. Vanhooren nodigt ons uit om het ultieme onbekende regelmatig te bezoeken, erbij te zijn, het zelfs te worden, om lang genoeg in ‘moment nul’ te verwijlen, om de vroedvrouw van verandering te kunnen zijn voor onszelf en voor onze cliënten. De existentiële empathie cultiveren om daar te zijn met onszelf en onze cliënten. 

De Summit heeft ook een complete verrassing in petto voor mij: Mark Solms met elektrostatische witte haardos, Neuroscience Institute van de Universiteit van Kaapstad, Zuid-Afrika. Hij brengt een neuropsychoanalytisch perspectief (‘Brain mechanism for certainty, uncertainty and hope’) en doet dat onweerstaanbaar grappig en origineel (Solms, 2021). 

Emoties zijn niet ‘fluffy’, ze geven ons input over hoe goed of hoe slecht we het doen, in onze zoektocht naar een evenwicht. Zodat we onze koers kunnen wijzigen. Emoties zijn fundamenteel om te overleven. We kunnen leren om de zeven basis emotionele behoeften te navigeren, ook, en vooral! als ze conflicteren. Zodat we onze opvattingen kunnen updaten. Ons brein is uitgerust voor hoop en blij zijn, het geloof dat goede dingen zullen gebeuren. Maar ook voor een diepe depressie, zodat we, als we gescheiden worden van onze gehechtheidsfiguur, bewegingloos stilvallen, om geen roofdieren aan te trekken, op dezelfde plek te blijven zodat ‘Mama’ me kan terugvinden, en om mijn energievoorraad niet uit te putten door rond te dolen. Ik beleef een klein aha-moment: ook een depressie, zo ongrijpbaar en disruptief, had in de kiem een evolutionaire meerwaarde. Zijn uitsmijter is, synchroniciteit is alomtegenwoordig in Haarlem, de soundtrack van mijn echtscheiding: The Rolling Stones: You can’t always get what you want, But if you try sometimes, well, you might find You get what you need.

De twee overblijvende zeeleeuwen Kees en Luna zwijgen voorlopig, in stille rouw. De wind waait geen geblaf over de daken. Hoop is geen passief wensen, het is een actief geloven. Ik zet de volgende EFT Summit in mijn agenda: 26 en 27 oktober 2025 in Canada. Zeeleeuwen wonen daar. Nieuwsgierig hoe een zeeleeuw klinkt? Google geeft het antwoord met de zoektermen ‘zo klinkt een zeeleeuw Zoo Antwerpen’ https://www.youtube.com/watch?v=OjwjjaKv74Q . 

Jasmien Peeters is filosoof, systeemtherapeut en (EFT) relatietherapeut. Ze werkt voor Duet relatiebemiddeling en in haar eigen praktijk. E-mail: jasmien@focus-op-verbinding.be. 


Referenties 

Vanhooren, S. (2024). Op de bodem. Existentiële thema’s in psychotherapie en begeleiding. Pelckmans. 

Solms, M. (2021). The Hidden Spring: A Journey to the Source of Consciousness. W.W. Norton & Company.

Hoffman & Vallejos, 2018, L. Hoffman, L. Vallejos, Published in Encyclopedia of Psychology… 21 September 2018

Interview met Peter Adriaenssens, Antwoorden met een dansbeweging

Professie & Persoon

Jasmien Peeters & Albert Neeleman

Voor het tijdschrift Systeemtherapie interviewde ik samen met collega Neeleman Peter Adriaenssens (nummer 36.2). Professie en Persoon is mijn vaste rubriek. In deze rubriek gaat het om het delen van kennis en ervaring via het persoonlijke en unieke verhaal van een bekende systeemtherapeut. http://www.tijdschriftysteemtherapie.nl

Terwijl mijn veertienjarige oogrollende puberzoon briesend de trap op stampt en de deur niet een maar drie keer ostentatief dichtknalt, luister ik op de dictafoon, vertwijfeld over zoveel boosheid, naar de rustgevende acceptatie van opvoedexpert Peter Adriaenssens. Ik denk aan een zin uit zijn poppentheatervoorstelling: ‘Ge moet proberen iemand te begrijpen die anders is dan gij.’ Jeugdpsychiater, directeur van het Leuvense Vertrouwenscentrum Kindermishandeling. Naast systeem- en gezinstherapeut was hij opleider bij Context en diensthoofd Kinderpsychiatrie (UZ Leuven). Ik ontmoette hem eerder in de keukentafelverhalen van mijn moeder, sociaal werker, sociale dienst jeugdrechtbank. In het overlopen van haar werkdag was hij een warm personage. De tienertijd beschrijft hij als een ‘fascinerende, creatieve ontwikkelingstijd’ (Adriaenssens, 2009, p. 8). Waarvan akte. Knal. Stamp.

In de aanloop naar het interview nestelt een vaag onbehagen zich op en rond mijn maag. We verdiepen ons in zijn professionele loopbaan, grasduinend in de archieven van Vlaamse kwaliteitskranten. Ik word er allesbehalve vrolijk van: misbruik, geweld, ontwrichting, kinderporno. Mijn gemoed wordt zwaar, scrollend door lange lijsten ontreddering. Ik sms mijn coauteur en vraag hem hoe je dat draagt, verdraagt, die hardheid, als vader van vier dochters bovendien. Al dat lijden. ‘We zullen het hem vragen’, luidt het zachte antwoord. Het wordt een warm gesprek met bevrijdende lachsalvo’s, maar deze vraag zal hij niet beantwoorden.

Door de regen fietsen het onbehagen en ik naar Berchem. Ik neurie me met Nick Cave tot rust: ‘Into my arms, O Lord, into my arms.’ In een ankervormig oud hospitaal uit 1907, in eclectische neorenaissancestijl, hebben we afgesproken met Adriaenssens. Hij heeft er een kleine privépraktijk traumapsychotherapie. Want de aanhouder wint. Collega-redacteurs van dit tijdschrift vroegen hem al eerder als geïnterviewde bij zijn pensionering (sinds 2019 is hij met emeritaat). Hij zei nee. Omdat hij nood voelde aan afstand na intense tijden. En ook uit schroom, uit loyaliteit aan ouders die toen nog in leven waren. Hun overlijden, ze werden 86 en 92, leidt tot een ander soort vrijheid. We wachten voor een metershoge deur in een oude ziekenhuisgang. Boven de deur hangt een klok, scheef. Om twee uur zwaait de deur open en verdwijnt het onbehagen even snel als het zich traag heeft opgebouwd. Zuurstokroze muren en een sofa. En ja, de natte, vuile plooifiets mag op het parket staan. Moeten we u of jij zeggen? ‘Hoe gewoner hoe beter’, stelt hij ons op ons gemak. Tegen de muur staat een prachtig schilderij van Kristien Dirckx, een multidisciplinaire artiest uit Antwerpen. In felle kleuren lijkt het alsof een vuist zich sluit rond een hart. Een oog, een tong, zeven vingers. I know. You know. Acrylic paint on canvas, 2022.

Maar wat me nog het meeste opvalt zijn zijn armen. Verbeeld ik het me, of zijn ze opvallend lang, strekken ze zich ontspannen uit met een spanwijdte waar pakweg een arend jaloers op is? Ik denk aan giraffen. Ooit dacht de evolutiebioloog Lamarck dat hun nek langer werd door uit te reiken naar de toppen van de bomen. Misschien is het wél zo met armen van dragers en verdragers, ze worden sterker. Warmer. Je kunt niet anders dan dieper wortelen. Steviger aarden. ‘Ik heb lang gewacht om mijn verhaal te delen. Ik was al met pensioen toen mijn ouders allebei overleden. Want hoe spreek je daarover in waarheid, over je eigen geschiedenis? Het antwoord verandert wellicht ook elke decennium, het rijpt uit en wordt een rijker narratief dat de complexiteit meer recht doet. Elk woord is een selectie. Elke vertelling een deconstructie. Ik vind het anderzijds toch erg belangrijk om als oudere collega mijn waarheidsverhaal te brengen, een waardige plaats te geven. Een spreidstand.’ Als populaire auteur van opvoedingsboeken schrijft hij bewust over normaliteit, geeft hij een boodschap van hoop, ook aan zichzelf: iedere ochtend is er opnieuw licht. Hij werkt met en geeft les over trauma, maar schrijft er bewust niet over. Ouders en pubers moeten samen hard werken, maar met de meeste jongeren komt het goed. ‘Als ik voor het brede publiek toegankelijke boeken schrijf, dan is dat mijn tegengewicht.

Op lezingen met volle zalen ontmoet ik al die ouders die zó betrokken zijn op hun kinderen en zich afvragen wat ze kunnen doen voor hun ontwikkeling. Laat ons vooral blij zijn met worstelende ouders, ze zijn betrokken en hun tieners voelen dat. Dat is mijn antidotum.’

Kiezen wij de weg of kiest de weg ons? Die vraag stelt Dag Hammarskjöld (secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 1953 tot 1961) zich op de openingspagina van Verbolgen verbonden – Opgroeien in een complexe wereld (Adriaenssens, 2018, p. 5). Het lijkt bij Adriaenssens het tweede te zijn, de weg koos hem: ‘Ik werd gevraagd door de Vlaamse regering om een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) op te richten in 1987. Men verzekerde mij “dat het niet veel zou voorstellen”, dat er nog voldoende tijd over zou blijven voor mijn academisch werk. Wist ik veel wat me te wachten stond, het draaide helemaal anders uit. Het ontplofte, we werden overspoeld met meldingen. Ik dacht ook dat ik die wereld niet kende, ervan overtuigd dat er geen verband was met mijn eigen leven. Dat was het tweede misverstand. Ik mocht in die beginperiode van het VK als inleefstage een maand meelopen in Amsterdam met Arend Koers, een kinderarts. Tijdens een incestconfrontatie met een vader aan huis, ontdekte ik dat ik die wereld eigenlijk wél ken. De vader ging namelijk door het lint, zwaaide met een groot mes, zorgde voor consternatie en oproer. Iedereen vluchtte het huis uit. En ik, ik bleef er ijzig kalm onder. “Dat je hier nu rustig naast mij blijft zitten, daar moet je goed over nadenken”, zei Koers mij. Het was erg confronterend, die opmerking over mijn ogenschijnlijk kalme zwijgen. En inderdaad, het was me wél vertrouwd. Het zwijgen en de afscherming waren ook mij aangeleerd. Toen ik tien was, zag ik mijn moeder met een mes op haar polsen. Het overlijden van haar vader toen ze zestien was is haar blijven achtervolgen: moest ze hem achterna of mocht ze in deze wereld blijven? Op een congres in Rome confronteerde ook familietherapeut Maurizio Andolfi me. Tijdens een sessie wees hij me op mijn “ronddraaiende taal”. “Je praat mee met de mensen, dat levert niets op. Je durft niet naar het onderwerp te gaan”, zei hij. Eerst was ik semi-verontwaardigd. Maar twee weken later onderbrak zowel een collega als een moeder op het VK mij onomwonden en op de man af. “Zeg, hoe hebde gij leren praten? Praat eens normaal, zegt wat ge te zeggen hebt! Vindt ge dat ik klop geef?” Dat was drie keer op korte tijd dat iemand me op mijn omfloerstheid wees. Toen had ik de boodschap begrepen en wist ik: ik moet in therapie. Om mijn werk te verbinden met mijn eigen ervaringen als kind; met vernedering, schaamte, machteloosheid. Zo kon ik in echte doorleefde resonantie komen met die thema’s.

Ook gezinstherapeut Salvador Minuchin (1921-2017) in Philadelphia leerde me een belangrijke les in een sessie met een doorkijkspiegel met een Italiaanse maffiafamilie. Ik had niet voldoende durf, en hij zei me “you have to work harder”. We hebben allemaal herinneringen aan zinnen die binnenkwamen en ons veranderd hebben. Hij had gelijk, door harder te werken werd ik moediger. Ik leerde ook veel van Mony Elkaïm (1941-2020). Hij was een Marokkaans-Belgische psychiater en psychotherapeut. In onze ontmoeting met cliënten is er steeds een aanvoelen, hij leerde mij het belang ervan. Hoe opener ik kan zijn over mijn aanvoelen, het kan inbrengen, des te sterker nodig ik de ander uit om op dezelfde manier in verkenning te gaan en de evidente verklaring los te laten en naar het complexe te gaan. Mijn vader was anesthesist: zijn patiënten moesten zwijgen, slapen en vooral niets voelen. Ik koos als arts voor de discipline waarin patiënten moeten praten, zich kenbaar maken en gewaar worden. Mijn ouders waren overtuigde zelfstandigen, ze vonden het maar niks dat ik aan de universiteit bleef werken als “bediende”. Mijn overgrootvader was nochtans matroos in de haven van Antwerpen. Een grote foto van hem hangt nog steeds heel centraal in onze woonkamer: “Blijf weten waar je vandaan komt, met succes en falen.” Ik kom niet uit een stamboom van artsen. Ook voor mijn dochters vind ik dat een belangrijke boodschap: de toekomst is niet zo voorspelbaar, er is falen én succes. We hebben onze levens te danken aan wat de voorgaande generaties toch maar gedaan hebben, mét twee wereldoorlogen die erdoor fietsten. Ons artsengezin was de droom van mijn vader. Daarin vormde ik een hecht blok met mijn broers en zussen. We aten lange tijd apart van onze ouders. Die verbinding onderling creëerde enerzijds wel een belangrijk tegenwicht voor de sfeer in huis. We konden samen lachen over toestanden, spreken over periodes dat het misliep met moeder en dat vader daar weinig mee deed. Als oudste zoon van zes kinderen in dat erg klassiek artsengezin, was ik een stil en verlegen kind, eerder angstig. Tot ik als vijftienjarige naar het Xaveriuscollege van de jezuïeten in Borgerhout ging. De leerkrachten spraken me er aan op mijn eigen binnenkant, ik moest zélf spreken. Dat heeft een enorme impuls aan mijn ontwikkeling en eigen stem gegeven. Ik ken het spel van hiërarchie en macht anderzijds wel goed als oudste zoon. Uit elke parentificatie – en welke hulpverlener is niet geparentificeerd? – komen ook vaardigheden voort. Ik ben door zoveel mensen gevormd. Ik studeerde af als arts tijdens de grote geloofsjaren van het systeemdenken. Tijdens mijn opleiding in Lovenjoel mocht we “hoppen” en elk jaar een andere systeemopleiding volgen. Ik volgde een jaar les bij de al eerder vermelde Elkaïm en een half jaar in het team van UCL waar Edith Tilmans-Ostyn leiding had (klinisch psycholoog en gezinstherapeut). Die blootstelling aan verschillende opleiders was absoluut verrijkend. Er studeerden filosofen, antropologen, sociaal werkers. Een rijke diversiteit aan leeftijd en achtergronden. Ik vind het onbegrijpelijk dat zij in België nu geen toegang meer hebben tot therapieopleidingen. Zó pijnlijk, die zogenaamde academisering die binnensijpelt. In 2010 kreeg ik het heel lastig. Ik was voorzitter van de commissie Adriaenssens (de commissie voor de behandeling van klachten van seksueel misbruik in een pastorale relatie). Operatie Kelk heeft me gekraakt, ik ben daar nooit echt van hersteld (huiszoekingen van het parket waarbij in de lokalen van de commissie in Leuven documenten voor onderzoek werden meegenomen). De verhalen van 475 slachtoffers, het volume, de brutaliteit, de paranoia van het publiek, ook ten opzichte van mij als voorzitter … daar was ik niet tegen opgewassen. Eigenlijk had iemand me toen moeten doen stoppen bij het VK, mij moeten confronteren met de ontkenning waar ik in zat, mijn houding dat alles oké was. Het was niet oké. Ik had in therapie moeten gaan. Door mijn expertise in trauma heb ik het voor mezelf te veel genormaliseerd: mijn nachtmerries, het huilen. De kennis die je als zorgverlener hebt over PTSS maakt dat je je eigen symptomen te lang normaliseert.

Ik draag nog steeds de littekens. Ik weet niet of het goed is geweest dat ik ben blijven werken. Ik moest door dat dal. Gelukkig kon ik datzelfde jaar halftijds aan de slag als kliniekhoofd Residentiële Zorg voor Jonge Tieners. Dat deed ik heel graag, ik kon er heel ervaringsgericht werken. Mijn pensionering maakte me ook wat eenzaam. Ik miste mijn team na 35 jaar heel hard samenwerken. Ieder van ons volgde een andere systemische opleiding, om voldoende verschil en tegenspraak binnen te brengen. Die meerstemmigheid hadden we nodig. Gelukkig vond ik die connectie terug in het poppentheater, daar is een nieuwe wereld gegroeid. Ik werk samen met poppenmakers, dramaturg, theaterauteurs, kostuummakers. Ik laat Jan Klaassen en Katrijn een dialoog in de 21ste eeuw voeren. En met een nieuwe vrijheid heb ik de weg teruggevonden naar de liefde voor mijn vak. Ik geniet nu van de langere sessies en de trajecten van begin tot einde met cliënten. Ik werk als psychotherapeut-psychiater (in die volgorde), veelal zonder medicatie en psychodiagnostiek. Met oprechte nieuwsgierigheid en liefde voor complexiteit, als narratieve traumatherapeut. Ik werk veel met lege stoelen, figuren die aanwezig zijn en de ruimte bemannen. Ik wil alle stemmen die er zijn verwelkomen. Ik weet dat therapie werkt. Ik heb dat aan den lijve ervaren. Als ik dat kan overbrengen, kan ik meeresoneren en ook raakbaar zijn. Dat maakt me in mijn job waarachtig. Ik kan dan zeggen: “Het is belangrijk dat je gekomen bent, het is goed dat we dit proces gestart zijn.”

Ik wil weten wat iemands eerste taal is. Dat is niet altijd het gesproken woord. Bij jongeren is dat vaak dans. Ik vraag dan of ze bereid zijn zich te filmen en of ik dat filmpje mag bekijken in de praktijk. Ik antwoord ook met dans: ik zet een tegenbeweging neer. Lang geleden volgde ik de opleiding dansexpressie. Ik voelde vroeg aan dat gesproken taal een “besmette” taal is, waarin mensen zich censureren, of rond problemen heen cirkelen, bewust of onbewust. Taal kan ook tekenen of schilderen zijn. Als therapeut zijn we overtraind in het verbale, soms is er daardoor zelfs een kloof tussen ons en onze cliënten. Hoe kan ik de taal ontmoeten van de ander, en mijn eigen beperking inbrengen, namelijk dat ik te veel taal heb? Wat is de betekenis van jouw tattoos, jouw piercing, wat gebeurt er met de grens van jouw lichaam als je snijdt? Kan ik consultaties doen met die scheur in je broek? Die scheur probeert mij iets duidelijk te maken, kan je mij helpen te luisteren? Zo heb ik als kind zelf proberen te spreken, met poppenkastpoppen. Mijn moeder steunde me daarin en maakte een grote poppenkast voor mij toen ik dertien was. Sindsdien ben ik die poppenspeler: achter een doek is het veilig praten met het publiek.

Hoe ouder je wordt, hoe beter je de complexiteit ziet. Er zijn geen systemische goocheltrucs. Er zijn geen autostradeverhalen met een grote duidelijke weg om vragen te beantwoorden. Er zijn sporen die we exploreren en die vervolgens doodlopen, er is een zoekende attitude. Ik heb het meeste geleerd van collega’s die durfden experimenteren. Én het is belangrijk om er lol aan te beleven en dat aan mensen te laten voelen. Ik kan mijn groeiproces niet tonen. Maar het was er wel, natuurlijk, ik heb ook mijn weg moeten gaan. Ook bij Salvador Minuchin heb ik dat gezien, hoe hij is blijven evolueren, hoe hij met de jaren bleef luisteren en zachtheid ontwikkelde. Niet vasthield aan zijn ideeën. Ik vind dat groots. We zijn als systeemtherapeut de bewakers en de bondgenoot van de complexiteit. Ik revolteer tegen de commercialisering van trauma … Met een zeker verdriet kijk ik naar die evolutie in mijn vakgebied. Niet alleen onze kennis is ontploft maar ook de vermarkting. Waarom accepteren we die verarming? Het binnensluipen van het economisch denken staat haaks op het complexe. Het complexe zet ons in een nederig verkennen: wat hebben deze ervaringen voor u in uw leven betekend en laat ons van daaruit zoeken. Ik kan in ouders steeds meer het kind zien voor wie niet gezorgd geweest is. Gekwetste mensen die als kind ook zorg hebben gemist, schade hebben opgelopen.’ Er valt nog veel te zeggen, maar we beslissen dat we kunnen leven met losse eindjes. Zoals gezinnen en systemen op een punt komen dat het goed genoeg is, dat ze verder kunnen. Het goede nastreven in een wereld waarin het volmaakte niet kan.

Ik rijd na het gesprek naar huis, de fiets nog steeds vuil maar nu toch droog. Ik stop voor mijn favoriete gedicht van Peter Verhelst op een raam in Borgerhout: ‘Graag geef ik je armen om de wereld te vangen als die omvalt. Armen om te omarmen wie moet worden vastgehouden (val) en om zelf omhelsd te worden op sombere dagen (val!)’ En gewoon, omdat het kan, antwoord ik, fiets in de hand, met een dansbeweging.

Jasmien Peeters is filosoof, systeemtherapeut en (EFT) relatietherapeut. Ze werkt voor Duet relatiebemiddeling en in haar eigen praktijk. E-mail: jasmien@focusop-verbinding.be

Albert Neeleman is klinisch psycholoog en psychotherapeut, werkzaam als systeemtherapeut bij het Amsterdams Instituut voor Gezins- en Relatietherapie. E-mail: neele.ppan@gmail.com

Literatuur

Adriaenssens, P. (2009). Van hieraf mag je gaan – Over het omgaan met tieners. Lannoo.

Adriaenssens, P. (2018). Verbolgen verbonden – Opgroeien in een complexe wereld. Lannoo.

Websites

Peter Adriaenssens Poppentheater: www.popla.be

Kristien Dirckx: https://kristiendirkx.com/PAINTINGS

Boekrecensie Voor Het Tijdschrift Systeemtherapie 2024/3

Uitgelezen. Samen in beweging. Een werkwijzer voor therapeuten. Psychomotorische systeemtherapie

Marcel Simons, Jolanda Degen-Hofman, Karen Huis in ’t Veld, Fred van Henten en Martin van den Blink (2023). Uitgegeven in eigen beheer. pp. 119

Op een zachte pistachegroene boekomslag bengelt een mobiel van wolvilten drumstokken. De titel loopt er schuin opwaarts over, als een Zweedse bank: Samen in beweging. Een vrouw, een man, twee jonge kinderen en een baby zoeken een evenwicht. Een uitdaging, als je ziet hoe de oudste zoon ondersteboven, drumstok in zijn knieholtes, rondzwiert. Een blonde hond en een lekker vette rosse kat houden het gezin mee in evenwicht. Ik herinner me hoe de mobiel tijdens de opleiding systeemtherapie als metafoor toonde hoe in een gezinssysteem alles met alles verbonden is. Elke beweging, windvlaag, beving heeft gevolg voor het geheel. Het idee is niet nieuw: Virginia Satir (1916-1988), een van de grondleggers van gezinstherapie, zag het al: de onderlinge afhankelijkheid, de wederzijdse beïnvloeding in de bewegingen en de trillingen. Ieder zit op zijn eigen drumstok, hangt aan zijn eigen touwtje op een eigen hoogte, maar de gezinsleden vormen wel samen het geheel. In een mobiel in evenwicht vindt iedereen zijn plek, veilig, zichzelf en verbonden, en toch ontvankelijk voor onvoorspelbaarheid. 

Hoe je nooit te vervelen: ik vind het zo heerlijk te lezen hoe onze professie, systeemtherapie, zich eindeloos leent om te verbreden, te verdiepen, uit te rijpen en door te rijpen, nieuwe horizonten te verkennen. Systeemtherapie en Psychomotorische therapie samen bengelend aan een mobiel, nieuwsgierig op zoek naar openheid en balans. Deze verrijkende integratie kort Simons liefdevol af tot PMST (psychomotorische systeemtherapie). Het leidt tot een aansprekende, laagdrempelige en veelal kortdurende werkwijze binnen de jeugdzorg. 

Doorheen het boek gaan gezinnen en twee therapeuten met een andere focus (psychomotorische- en systeemtherapie, beweging versus relaties) op zoek naar dat veilige evenwicht. Ze trekken samen de gymzaal in: de mobiel in actie. Balanceren op een skippybal, kegels roven, geblinddoekt een parcours lopen en zo observeren wat er zich aandient, waarop één van gezinsleden vaststelt: ‘Nu gebeurt het weer, zo gaat het thuis ook vaak’. Wat familietherapeut Minuchin (1921-2017) een ‘enactment’ noemde, maakt het mogelijk om (hardnekkige en vastzittende) relatiepatronen en interacties bespreekbaar te maken én in het hier en het nu te bewerken.  

Martin van den Blink, voormalig docent PMT Hogeschool Windesheim (Psychomotorische Therapie en Bewegingsagogie), vatte het idee op om dit boek te schrijven. Marcel Simons, systeemtherapeut, GZ-psycholoog en supervisor (NVRG) bracht als redacteur vervolgens vijf collega’s samen om het idee uit te werken en de kracht van PMST: Jolanda Hofman, Karen Huis in 't Veld, Eric Kuhlmann, Fred van Henten en van den Blink. Ze namen elk een of meerdere hoofdstukken voor hun rekening. 

De auteurs zijn psychomotorische therapeuten enerzijds en systeeemtherapeuten anderzijds. PMT focust op lichaamsbeleving en bewegingsgedrag. Door sport en spel komt iemand letterlijk in beweging en staat hij stil bij zijn ervaringen: herkennen, verwoorden, begrijpen, delen, uitdrukken. Cliënten experimenteren al bewegend om tot nieuwe ervaringen, belevingen, inzichten en gedrag te komen. Ook buiten de gymzaal. Want dat is het idee, dat wat op de skippybal gebeurt, geëxtrapoleerd wordt naar thuiscontexten. 

Klimtouwen, valmatten, een turnpaard… een gymzaal nodigt vanzelf uit om te rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. Er komt beweging. Of juist niet. En daar kunnen we het over hebben. Er worden spontaan nieuwe mogelijkheden gecreëerd om ouders en kinderen met hun veerkracht en uitdagingen weer en/of anders met elkaar te verbinden en zo ontwikkeling op gang te brengen. Er kan weer plezier in het samenzijn ontstaan, en het begrip voor elkaar en de communicatie kunnen verbeteren.

Met heldere praktijkvoorbeelden- je ziet het zo voor je - wordt geïllustreerd hoe hulpvragen vertaald worden naar concrete activiteiten in de turnzaal en hoe het gezin kan ontdekken en ervaren wat antwoorden kunnen zijn op vragen waarvoor zij hulp zoeken.

Aan het woord ‘werkwijze’ (de manier waarop men te werk gaat) plakt Simons de letter ‘r’ in de ondertitel. Achteraan in het boek zijn een aantal YouTube filmpjes te vinden met QR-code die de oefeningen in beeld brengen. Creatief, speels en lichtvoetig, woorden die zowel bij PMST als bij dit boekje passen. 

Jasmien Peeters is filosoof, systeemtherapeut en (EFT) relatietherapeut. Ze werkt voor Duet relatiebemiddeling en in haar eigen praktijk. E-mail: jasmien@focus-op-verbinding.be

Introductie Contextueel & Systemisch werken

Super blij dat ik binnenkort weer het inspirerende gedachtengoed van Nagy mag delen met een groep studenten:

Vrijdagen 16/2, 23/2 en 1/3

De contextuele benadering berust op het ethisch perspectief dat mensen verantwoordelijk zijn voor elkaar. Wie zijn verantwoordelijkheid uiteindelijk kan omzetten in gepaste zorg voor de ander en tegelijk voor zichzelf, groeit als mens en verwerft vrijheid.

Doelgroep

  • Werk je in professionele, sociaal-agogisch/pedagogische context met individuen, koppels, gezinnen, teams,…?

  • ​Ben je geïnteresseerd in het contextueel en systemisch werken?

  • Ben je als leidinggevende, hulpverlener, coach, counselor op zoek naar verdieping in je werk?

  • Zet je graag in op verbinding?

  • Wil je medewerkers en cliënten bewuster maken / meer inzicht geven in hun relaties en relationele beleving?

  • Wil je zelf sterker worden in het werken met systemen en relaties?

Dan biedt deze driedaagse een eerste verdiepende kennismaking met het contextueel gedachtengoed aan.

Inhoud

“Alle werkelijke leven is ontmoeting.” (Buber)

In deze introductie maak je kennis met het gedachtegoed van Ivan Boszermenyi-Nagy. In zijn visie en werk worden mensen in verleden, heden en toekomst onlosmakelijk verbonden met hun context en is dialoog tussen mensen het fundament van hulpverlening.​

Aan de hand van fundamentele contextuele en systemische begrippen, houdingen en tools wordt een hulpverlenend ‘GPS’ gevormd die in de complexiteit en veelkleurigheid van de dagdagelijkse praktijk blijvend richting aangeeft.​

  • Begrippen als balans van geven en nemen, loyaliteiten & loyaliteitsconflicten, onrecht door het leven of door anderen, roulerende rekening, parentificatie, intergenerationele winst,… worden je aangereikt. 

  • Houdingen als meerzijdige partijdigheid, erkenning geven voor onrecht en inzet, niet oordelend in gesprek gaan worden geoefend.

  • Tools en hulpmiddelen als werken met hechting, innerlijke dialoog, relatieboodschappen, genogrammen, gezinskaart, duplo’s… worden aangeboden en toegepast op casussen.

Dit alles biedt een stevige basis en hoopgevende houvast om het groeiproces tot contextueel-systemisch werker aan te gaan, hulp en ondersteuning te bieden in de meest uiteenlopende en complexe situaties.

Lesgever

Jasmien Peeters

Locatie

Clemenspoort, Overwale 3, 9000 Gent

Nog twijfels of vragen?

Aarzel niet om contact op te nemen! secretariaat@lerenoverleven.org

Monika Joras, ‘Je mag niet iemand laten zitten met oude denkbeelden’. 

Professie & Persoon, Roest rust op oude beelden,

Jasmien Peeters en Jan Meerdinkveldboom

Voor het tijdschrift Systeemtherapie interviewde ik samen met collega Meerdinkveldboom Monika Joras (nummer 35.4). Professie en Persoon is mijn vaste rubriek, & een Nederlander én een Vlaming zijn complementair :-) . In deze rubriek gaat het om het delen van kennis en ervaring via het persoonlijke en unieke verhaal van een bekende systeemtherapeut. http://www.tijdschriftysteemtherapie.nl :

Bij het uitschrijven van dit interview trekt de aarde, zoals elke zomer, door de Perseïden-meteorenzwerm, een wolk van stofdeeltjes. Op mijn rug op het nog warme asfalt tel ik ’s nachts vallende sterren en wens dat dit een bijdrage wordt die Monika Joras recht aandoet. Ze schrijft over zichzelf: ’Als een stofje as dat… opgedwarreld is, waar soms licht doorheen valt dat voor sommige mensen zichtbaar wordt, zo ervaar ik mezelf’. Ik zet David Bowie luid. We know Major Tom's a junkie, strung out in heaven's high, hitting an all-time low. Ik zoek het even op: een zondagskind, maar geboren op een maandag. Witte krulletjes. Ze is niet groot, op haar manier wel groots, straalt iets uit: krachtige sereniteit. Bescheiden ook, ze wilde deze Professie & Persoon graag doorgeven aan collega Anneke van Steenbergen-Postma: ’Ze is van onschatbare waarde geweest voor de gezinstherapie en heeft nog opleiding van Minuchin ontvangen’. Mijn collega-hoofdredacteur Meerdinkveldboom en ik laten haar niet los en wandelen (fluks, Jan is snel) van het station door het prachtige Haarlem richting een oude 17de eeuwse watermolen. Monika Joras woont daar in een bocht. We ontwijken omgevallen bomen. De stormen van het leven deden hier hun werk. De voordeur zwaait hartelijk open. Een kop thee (Ceylon), een blik met amandelkoekjes, een lichte Duitse tongval. Aankomen. In de zonnige veranda hangt de fijne warmte van Joras en Jongerius. Een intellectuele gezelligheid in een doorleefd interieur. Joras woont er al 46 jaar, genietend van de zon en het werkelijk prachtige uitzicht op de vijver, de molen en het weiland van de Schoterveenpolder. Ik kom ogen tekort. Ze blijven binnen gulzig haken aan de boeken en vallen op Hannah Arendt, Wisława Szymborska, Nelson Mandela, Roberto Assagioli… Ook de boeken van zowat alle grote religieuze en spirituele tradities. Hier kan ik gerust een paar weken verblijven zonder me te vervelen. Joras ziet het met liefdevolle arendsblik, weinig ontgaat haar. Ze vertelt over de Gaura, een plant in haar tuin, met een sterke steel en een fragiele bloem. “Als ik eens verdrietig ben, ga ik ervoor zitten en kijk ik ernaar.” 

Monika Joras (namen met klankrijmen zijn de mooiste) is geboren in 1941 in Oberwesel aan de Rijn, Duitsland (het is daar prachtig volgens Joras, denk: ‘Unesco erfgoed’). In 1970 getrouwd met Ton Jongerius (‘we zijn al 50 jaar een heel goed team’), studeerde geneeskunde in Nijmegen en deed daar haar artsexamen in 1975. Ze werkte als psychiater, systeemtherapeut, opleider en supervisor in multidisciplinair dagbehandelingscentrum Dercksen. Er was veel werk, handen uit de mouwen. Na haar pensionering werkte ze nog vele jaren als vertrouwenspersoon en als leertherapeut voor de Nederlandse Vereniging voor Gezins- en Relatietherapie (NVRG). Ze leidde in Nederland en in Roemenië gezinstherapeuten en leertherapeuten op. In 2017 schreef ze, als afronding van haar werk, het boek ‘Leertherapie op de agenda’.

Na de thee zetten we een lieveheersbeestje buiten. Dan een steile trap op. In de traphal hangen schilderijen die ze maakte. Naar de studieruimte helemaal boven waar we met Joras de dialoog voeren waar ze zo van houdt, naar streeft. Ze vertelt hoe leven en werken zich verweefden. Het ene verhaal opent andere verhalen. Mijn geluidsrecorder heeft bij het beluisteren de optie ‘stiltes overslaan’. Dat doe ik niet, de stiltes die vallen zijn erg prettig. Ze schrijft sinds haar pensionering zowat dagelijks over haar gedachten en gevoelens. Ook dit gedicht dat bij de stofdeeltjes van de komeet Swift-Tuttle past: 

Sterrenstof
dwarrelen en zweven
draaien in het licht
blijven wij het stof
waaruit de sterren zijn
geweven
mensenhart
gaat kloppen als het stof
zich gaat begeven in
een ziel die openstaat
voor avontuur van leven

Ze vertelt: ’Ik ben een arbeiderskind. Mijn vader was timmerman, mijn moeder huisvrouw. Mijn moeder was heel ruimdenkend, diepmenselijk, ze had een open geest. Ik ben in de eerste plaats uit mijn moeder geboren als mens. Ik was een traag, sensitief en bedachtzaam kind. Mensen vertelden me, toen al, spontaan hun verhaal, ik straalde een soort van natuurlijke wijsheid en verbinding met oudere kennis uit. Dat is een geschenk’. Ze maakt een eenvoudig krachtig gebaar dat ze tijdens het gesprek vaak zal herhalen: armen geopend, handpalmen naar voor en open naar boven, voor de dingen die haar toevielen. ’Ik weigerde hokjes, speelde toch met de protestantse kinderen, ook al werd dat eigenlijk niet gedaan, werd dat afgekeurd. Menselijkheid was toen denk ik al de basis van mijn bestaan. Ik reflecteerde al vroeg, kon bij de ander laten wat bij de ander hoorde. Ik herinner me nog dat mijn grootvader een keer de opmerking maakte: ”Monika is wel een heel bijzonder kind”. Ik ben geboren in een periode dat er enorm veel armoede was in Duitsland. Het moreel was op een dieptepunt. De gevolgen van de oorlog waren intens. We woonden met zijn vijven, ik heb twee jongere zussen, een tweeling, in een huis met twee kamers. Toen ik vier jaar was, kreeg ik roodvonk, een ziekte die vroeger ernstig was: de bacterie vergiftigt je bloed. Mijn moeder werkte als toegewijde huishoudhulp in een artsengezin. Die man, een hele liefdevolle mens, heeft zich over mij ontfermd en heeft me toen tijdens de oorlog in zijn ziekenhuis opgenomen. Ik was bijna dood. Met een bloedtransfusie van zijn eigen bloed heeft hij mijn leven gered. Die ingrijpende levenservaring heeft een diep spoor getrokken. Waardoor ik ben zoals ik ben. En dat is onveranderd aanwezig gebleven, is alleen maar verdiept en gegroeid. Misschien geen toeval dat ik later zelf ook arts ben geworden. De medische opleiding versterkte mijn intuïtieve systeemdenken. Ons lichaam is een wonderlijk systeem, in een groter geheel’. In haar boek over leertherapie schrijft ze: ’Vaak is de natuur een belangrijke bron van bewustwording. Voor mij spreekt het menselijke lichaam als prachtig natuurlijk systeem een taal die wij kunnen verstaan. Alle cellen die wederzijdse afhankelijkheid paren aan gelijkwaardigheid kunnen ons verder helpen in het begrijpen van de gelijkwaardigheid van mensen onderling.’

‘Op de lagere school behoorde ik bij de besten van de klas. Een lerares zag wat ik in me had en moedigde me aan. Als kind wilde ik mijn steentje bijdragen aan het budget van het gezin en bracht ik een krantje rond van een missiecongregatie, de Congregatie van de Dienaressen van de Heilige Geest. Mijn moeder en ik vonden een kleine advertentie voor een gymnasium in het dorpje Steyl in Nederland voor Duitse meisjes die missiezuster wilden worden. Ik voelde dat ik er naartoe moest. Het was net betaalbaar, al ging mijn moeder ’s nachts in een jamfabriek werken om het mogelijk te maken voor mij. Ik zat er op internaat tot aan mijn eindexamen en ik had er de mooiste tijd van mijn leven, met meisjes en vrouwen van over heel de wereld, allemaal vrije intellectuele geesten. Zusters kwamen terug met hun verhalen. Ons mens-zijn verbond ons met elkaar. Ik kon er al mijn talenten ontwikkelen: theater, viool, zang, schilderen… Er was een grote vrijheid om te groeien. Ik kreeg een beurs om in Bonn gaan verder studeren, ik heb dat niet gedaan, dat had met mijn zelfvertrouwen als jonge vrouw te maken. In die na-oorlogse periode was het patriarchaat nog erg bepalend en het moreel van de bevolking was op een dieptepunt, dat kon ik al zien als kind. Dat patriarchale mannen zo met kinderen en vrouwen omgaan geeft je toch het idee minderwaardig te zijn als vrouw en misbruikt te worden. Ook al kon ik het bij de ander laten, dan deed het toch zeer omdat ik de mens wil ontmoeten op ooghoogte, verschillend en gelijkwaardig. Dat is altijd mijn leidraad geweest. Ik heb er als jonge vrouw voor gekozen om in het klooster te gaan als novice. Dat was een goede leerschool: studeren, kippenhokken schoonmaken, bidden. Toen ik de stilte van het mediteren indook in het klooster leerde ik mezelf nog beter kennen in mijn kwetsbaarheid en kracht, mijn mogelijkheden en beperkingen. Als zuster mocht ik medicijnen gaan studeren, ik vond dat heerlijk, daar ben ik nóg meer een systeemdenker geworden. Met een blauwe sluier en een blauwe jurk trok ik naar de universiteit van Nijmegen. De congregatie wilde dat ik anesthesist werd in hun ziekenhuis in Kerkrade. Maar een bestemming die vastlag en ik niet zelf had bepaald, bracht me bij een zelfvertrouwen om het noviciaat te beëindigen. Een vrouw die in me geloofde, een mecenas, steunde me financieel en ik maakte mijn studie als arts af. In 1970 leerde ik mijn man Ton kennen, hij studeerde theologie. We zijn in autonomie verbonden. We hebben heel bewust geen eigen biologische kinderen, omdat we veel kinderen hebben. We waren professioneel ook allebei zo geëngageerd. En we dachten er gelukkig hetzelfde over. 

Ik wou meer weten en verlangde naar een dieper contact met patiënten en met de hele mens. Via dermatologie raakte ik geboeid door de huid en de wisselwerking met het brein. Ik studeerde verder, psychiatrie in Leiden en Amsterdam. In de eenjarige opleiding psychotherapie werd alles gepropt. Ik kreeg er les van Jan Bastiaans en Robert Abraham. We nodigden Karl Tomm uit, professor en psychiater aan de Universiteit van Calgary, Canada. Ik was ook twee weken bij hem in Calgary tijdens mijn sabbatical in 1990 en zijn to open space is me altijd bijgebleven. 

Ik heb nooit gezegd ‘ik ben psychiater’. Wel: ‘Ik heb gewerkt als psychiater’. Het is een vak, net zoals timmerman een vak is. Ik heb mijn hele loopbaan gewerkt in het Dercksen Centrum, een systeemgericht dagcentrum voor multidisciplinaire psychotherapie in Amsterdam (noot van de redactie toen een van de eerste bolwerken van systeemdenkers, die vele buitenlandse hotemetoten naar Nederland haalde). Er werkten heel wat systemische kopstukken en het gonsde van de jeugdigheid. Elke patiënt kreeg systeemgesprekken: het heeft geen zin om een patiënt te behandelen zonder zijn of haar gezin. We werkten met muziektherapie, lichaamsgerichte therapie, creatieve expressie. We zagen er heel wat patiënten met het KZ-syndroom, het concentratiekampsyndroom. Joden herkenden in mij een Jodin. Ik lijk inderdaad wat op Hannah Arendt. Ik was Duits, maar niet Joods. Dacht ik. Pas vele jaren later kwam ik erachter dat ik inderdaad de kleindochter van Spaans-Portugese Joden ben, die om te overleven, zich tot het christendom hadden bekeerd. De moeder van mijn moeder was Jodin en dat maakt mij ook Joods. Ik ben me er al een heel leven van bewust dat etiketten leggen op mensen hen beperkt in hun groei. Ik verwijder graag die roest, ik daag mensen uit, om te reflecteren op hun denkbeelden, over zichzelf en anderen. Dan is er ruimte voor heling en vooruitgang. Dan komen we echt in beweging en worden we fluïde. Roest rust op oude beelden (ook een gedicht in haar laatste bundel).

Ik vind empowerment, emancipatie en vrouwenhulpverlening erg belangrijk. We richtten groepen op, VIP, vrouwen in psychiatrie. We ondersteunden vrouwelijke psychiaters om te promoveren, en we gingen met vrouwelijke patiënten aan de slag in vrouwengroepen. Zoveel vrouwen hebben hele nare seksuele ervaringen. Ik heb veel en kritisch nagedacht over het patriarchaat (een maatschappijvorm waarin mannen de dominante rol hebben). Ik kan erg kordaat zijn, ik ben niet bang. Als het moet ga ik in de clinch, vanuit een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Als ik echt vind ‘dit moet’, dan doe ik dat ook, ook in het werken met gezinnen. Ik kan dan heel doortastend zijn. Al heb ik er altijd zorgvuldig over gewaakt nooit misbruik te maken van macht. Eigenlijk hebben mannen qua genetica meer aanleg voor psychiatrische ziektebeelden dan vrouwen, dat weten we. Toch worden er vanaf de leeftijd vanaf 15 jaar meer vrouwen opgenomen. Waarom? Omdat ze worden lastig gevallen door mannen en erg nare seksuele ervaringen oplopen! 

In het laatste jaar van mijn loopbaan stelde een collega mij de vraag of ik haar leertherapeut wilde worden. Ik moest haar eerst vragen wat dat was (lacht). Ik heb me er in verdiept, en als leertherapeut had ik de meest prachtige jaren. 

In de leertherapie is de attitude van wederzijdse oprechte belangstelling, gecombineerd met de openheid voor correctie van oude beelden, continu in de interactie tussen twee mensen aanwezig. Ieder mens heeft vooroordelen én kan deze bijstellen door de open dialoog met de ander aan te gaan. Ook in mijn sessies leertherapie nodig ik familieleden van mijn collega’s uit. Je mag niet iemand laten zitten met oude denkbeelden. 

Mijn werk als systeemtherapeut en mijn gedichten komen uit dezelfde bron. Als je dieper gaat, dan hangen ze met elkaar samen. Ik ben als dichter nog steeds met hetzelfde bezig: de bron van mijn hart en mijn ziel. Die menselijkheid is de basis van mijn bestaan. ‘Het is wat het is’. Die attitude laat me toe bij lijden en agressie te blijven. Zo nodig ik mensen uit mekaar lief te hebben, ook met mijn poëzie. Ook in mijn werk als psychiater was dat mijn diepere drijfveer. 

In 2001, toen ik zestig was, mocht ik stoppen, voor de invoering van marktwerking in de gezondheidszorg om zich heen greep. Daar ben ik niet rouwig om. Ik had nog zoveel andere dingen te doen, ik heb die kans dankbaar gegrepen. Ik geef in deze levensfase graag toe aan de poëzie, wanneer ze mijn aandacht vraagt, dag of nacht. Ik schrijf gedichten wanneer ik woorden voel stromen. 

Weerhaakjes blijven voor mij constant voelbaar in het dagelijks contact met mezelf en andere mensen die uitgaan van vooroordelen en oude beelden. Ik ben eigenlijk constant alert. Alleen in de natuur, de muziek, de poëzie en proza en zielsverwanten leef ik ontspannen vanuit mijn hart. Zij hebben wel heel veel ruimte in mijn hele leven.Ik krijg de dingen cadeau en ik geef ze door. Liefhebben, met de talenten en de beperkingen die ik heb. En de dood zal ons uiteindelijk allemaal gelijk maken. Ik heb nu nog gesprekken met mensen die naar me toe komen, van mens tot mens, soms eenmalig. Ik ben dan doortastend en toch existentieel bescheiden. ‘Gebruik nou even die intelligentie, die voorste kwab heb je niet voor niets gekregen. Durf zelfstandig te denken.’ 

Met de lekkerste appel, knapperig en friszuur, een warm hart en de meest recente dichtbundel in onze handen, ‘Mens en eb’, worden we naar het station gebracht door Ton. En daar is Bowie in de Albert Heijn in het station van Haarlem: Changes. 

Jasmien Peeters is filosoof, systeemtherapeut en (EFT) relatietherapeut. Ze werkt voor Duet relatiebemiddeling en in haar eigen praktijk. E-mail: jasmien@focus-op-verbinding.be.

Jan Meerdinkveldboom is jeugdpsychiater en systeemtherapeut n.p. en consulent voor systemische hulpverlening aan jongeren, in het bijzonder bij suïcidaal gedrag. E-mail: jan@mdvb.demon.nl.

Literatuur 

Leertherapie op de agenda: https://monikajoras.nl/leertherapie/ 

8 dichtbundels van Monika: https://monikajoras.nl/gedichtenbundels